Om de coronacrisis in de verpleeghuizen het hoofd te bieden moesten organisaties als het ministerie, de GGD en branchevereniging ActiZ razendsnel schakelen. Prof. dr. Cees Hertogh, hoogleraar ouderengeneeskunde & ethiek van de zorg bij het Amsterdam UMC, vertelt over de aanpak, de impact en de geleerde lessen. Hij is ook lid van de Task Force Antimicrobial Resistance bij het RIVM en van het landelijk Outbreak Management Team. Hertogh is voorzitter van een van de zes academische werkplaatsen (Universitair Netwerk Ouderenzorg Amsterdam). Met twee onderzoeken naar het beloop en de verspreiding van COVID-19 legde hij samen met collega-hoogleraar Bianca Buurman de basis voor het beleid bij een uitbraak in verpleeghuizen.

Lees hier het interview met Vilans.

PERSBERICHT

Amsterdam, 1 september 2020

Bij nieuwe uitbraak in verpleeghuis is snelle diagnose essentieel

“Het is zeer onwenselijk dat verpleeghuizen bij een nieuwe coronagolf opnieuw de deuren moeten sluiten”, zeggen hoogleraar Acute Ouderenzorg Bianca Buurman en hoogleraar ouderengeneeskunde Cees Hertogh van Amsterdam UMC. Zij deden de afgelopen maanden onderzoek in diverse verpleeghuizen om erachter te komen wat aan een uitbraak voorafging en
hoe het kon gebeuren dat zoveel verpleeghuisbewoners besmet raakten. “Bij een uitbraak moet een diagnose snel gesteld worden. Dat betekent meer testen en een snelle testuitslag.
Daarnaast is een beter gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen nodig en scholing voor het personeel, zodat klachten van patiënten –veelal bewoners met dementie- beter worden
herkend”, aldus Buurman en Hertogh.

Sinds het begin van de corona-uitbraak (SARS-CoV-2) in Nederland zijn veel verpleeghuizen getroffen door het virus, dat bij ouderen een ernstiger en fataler beloop kent. Het testbeleid is nu
gericht op mensen die mogelijke (milde) klachten hebben. Het is niet zeker of positief geteste bewoners en/of medewerkers zónder klachten ook bijdragen aan de verspreiding, maar het
onderzoek van Buurman en Hertogh wijst daar wel op. En dat zou volgens hen belangrijke gevolgen hebben voor het testbeleid in verpleeghuizen en het gebruik van persoonlijke
beschermingsmaatregelen.

Symptomatisch en presymptomatisch
“De belangrijkste vraag in ons onderzoek was in hoeverre presymptomatische bewoners en medewerkers een rol spelen in de verspreiding van corona in het verpleeghuis”, zegt Hertogh.
Een team onder leiding van Buurman en Hertogh deed onderzoek in vier verpleeghuizen. Daar werden alle bewoners en medewerkers getest, ongeacht of ze symptomen hadden. Op deze manier
konden mensen met klachten (symptomatisch) en zonder klachten (presymptomatische) worden onderscheiden. Vanwege het beperkte aantal besmettingen in drie van de vier verpleeghuizen, was het niet mogelijk daar een antwoord te vinden op de onderzoeksvraag. Bij het vierde verpleeghuis liep het onderzoek samen met een grote uitbraak. Zo’n veertig mensen waren bij de start van het onderzoek besmet.
De uitbraak in dit verpleeghuis met 185 bewoners met dementie is te herleiden tot een enkele bron, een bewoner heeft het coronavirus opgelopen in een ziekenhuis. Bij alle besmette bewoners en
medewerkers is vervolgens dezelfde virusstam teruggevonden. De positief geteste bewoners met en zonder klachten hebben eenzelfde aanzienlijk hoeveelheid virusmateriaal in hun lichaam, en beide groepen lijken even besmettelijk.

Extra scholing
Dit verpleeghuis is gespecialiseerd in dementiezorg. De bewoners begrijpen instructies minder goed en door de dementie zijn ze niet goed in staat om klachten te communiceren. “Het herkennen van corona-gerelateerde klachten is daarom enorm afhankelijk van observaties door zorgmedewerkers”, zegt Buurman, “en die hebben meer kennis nodig van de mogelijke symptomen en klachten die bij corona passen. Extra scholing is daarom nodig.”
Aan het begin van de uitbraak zaten soms enkele dagen tussen eerste gerapporteerde klachten en het daadwerkelijk testen van bewoners. Ook bleek – en dit is al bekend uit andere studies – dat
zorgmedewerkers moeite hebben bij zichzelf lichte klachten te herkennen of te signaleren. Bovendien is de werkdruk hoog en hebben medewerkers de neiging door te werken. Hierdoor
vormen zij onbedoeld een risico voor bewoners en collega’s. Daarnaast bleek de bouw van het verpleeghuis een extra complicatie bij het onder controle brengen van de uitbraak. Afdelingen zijn
in een open carré met elkaar verbonden. Bewoners hebben hierdoor extra bewegingsruimte, dat bijdraagt aan goede zorg voor mensen met dementie. Maar het heeft ook nadelen bij het bestrijden van een besmettelijke ziekte.

De IC van de ouderenzorg
Buurman en Hertogh concluderen dat er geen onderscheid te maken is tussen presymptomatische en asymptomatische bewoners en medewerkers als het gaat om de verspreiding van het virus. Ze adviseren dan ook een aanscherping van het landelijk beleid voor de (kortdurende en langdurige) verpleeghuiszorg. Het advies bestaat uit drie fases: groen, oranje en rood. Bij groen is er nog weinig aan de hand, maar kunnen wel duidelijke afspraken worden gemaakt in geval van een uitbraak. Zodat iedereen weet waar hij aan toe is. Bij oranje is er een toenemend aantal besmettingen in de omgeving van een verpleeghuis. Dan moeten maatregelen genomen worden om te zorgen dat corona niet in het verpleeghuis komt. Dat kan door regulering van bezoek, het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen voor zowel medewerkers als bezoek en een quarantaine voor nieuwe bewoners en bewoners die terugkomen van een ziekenhuisopname. Rood staat voor een uitbraak. Hier wordt gepleit voor wekelijks testen van bewoners en personeel, met en zonder klachten. Een snelle diagnose is dan essentieel en beter letten op (eigen) klachten en daarnaar handelen. “We moeten voorkomen dat een verpleeghuis opnieuw moet sluiten voor bezoek”, aldus Buurman en Hertogh, “Het verpleeghuis is de intensive care van de ouderenzorg, met de voorgestelde adviezen hopen we samen corona te bestrijden en tegelijk te waken voor de kwaliteit van leven van onze meest kwetsbare ouderen.”

Het onderzoek naar presymptomatische transmissie van COVID-19 in vier verpleeghuizen is door Amsterdam UMC, afdeling Ouderengeneeskunde, in samenwerking met Erasmus MC, afdeling
virologie en GGD Amsterdam uitgevoerd. Hier vindt u inhoudelijke informatie over het onderzoek.

Noot voor de redactie (niet voor publicatie):
Neem voor meer informatie contact op met Nicole de Haan, wetenschapsvoorlichter en
communicatieadviseur, locatie VUmc, (020) 444 3444/communicatie@vumc.nl.

Er wordt volop gediscussieerd over de vraag hoe we ouderen en kwetsbaren moeten beschermen in een tweede coronagolf. Helemaal afschermen? ‘Het apart zetten van ouderen in de maatschappij is geen idee van het OMT, laat ik dat vooropstellen. Het is absoluut niet uitvoerbaar.  Een simplistisch idee, onuitvoerbaar.’

Lees wat Prof. Cees Hertogh hier over te zeggen heeft in de Volkskrant. 

Wat zijn de KERNwaarden van de Ouderengeneeskunde? Prof. dr. Cees Hertogh introduceert ze in zijn nieuwste blog.

 

 

 

Nu online, het juni nummer van Tijdschrift voor Ouderengeneeskunde. Met dilemma’s, actualiteiten, vaste rubrieken, blogs en onderzoeken. Lees ‘m hier.

Door Julia van Weert, Nathalie van der Velde en Cees Hertogh (namens de programmaraad Aging & Later Life, APH).

De bijna 2,5 miljoen ouderen in Nederland vormen een heel diverse groep, van vitaal en zelfredzaam tot kwetsbaar en op zorg aangewezen. Toch is deze groep in de afgelopen drie maanden vrijwel zonder nuance als risicogroep neergezet en nauwelijks in beleid betrokken. Daarmee is de beeldvorming van ouderen razendsnel veranderd en is er een paradox van zorg en welzijn ontstaan: juist de groep die we proberen te beschermen ervaart ernstige nadelen van ons beleid. Laten we deze eenzijdige en negatieve beeldvorming zo snel mogelijk terugdraaien, ouderen een stem geven en voorkomen dat hun kenschets als risicogroep ‘het nieuwe normaal’ wordt.

Lees verder op www.sociaal.web

Dit tweede factsheet, met analyses van de COVID-19 data vastgelegd in Ysis, betreft data van hetzelfde cohort als in de eerste factsheet, maar nu met een vervolg tot half mei en gekoppelde analyse van de usual care data (Ysis). Hierdoor is er nu ook inzage in co-morbiditeit, leeftijd, geslacht en verblijfssituatie.

Belangrijkste conclusies zijn:

 

  • Bevestiging van de bevindingen uit de vorige factsheet, maar nu met meer data: COVID-19 infecties gaan gepaard met veel sterfte
  • Mannen zijn zwaarder getroffen dan vrouwen: overlijden meer en sneller met hogere symptoomlast
  • Een goede verklaring hiervoor is niet gevonden. Het in de bestaande literatuur vaak genoemde verschil in co-morbiditeit tussen mannen en vrouwen is niet verklarend voor het verschil in sterfte in deze populatie van zeer kwetsbare ouderen
  • Dementie, Ziekte van Parkinson en nierfalen zijn geassocieerd met een hoger risico op overlijden.

Download hier de tweede factsheet

 

“Intens gelukkig dat ze weer bezoek mocht ontvangen.”

Ervaringen met de verruiming van de bezoekregeling in verpleeghuizen.

Sinds maandag 11 mei worden onder strikte voorwaarden weer bezoekers toegelaten in 26 verpleeghuizen in Nederland. Sinds 25 mei is bezoek toegestaan bij alle verpleeghuislocaties die op vrijwillige basis aan de verruiming willen deelnemen en aan de gestelde voorwaarden kunnen voldoen.

Deze verruiming van de bezoekregeling wordt nauwgezet gevolgd door de Samenwerkende Academische Netwerken Ouderenzorg, waarvan UNO onderdeel uitmaakt.

Lees de resultaten van de dieptemonitoring en een globale monitoring hier:

Factsheet Dieptemonitoring bezoekregeling 11-29 mei

Monitor_resultaten_VWS_RAPPORT_8 juni 2020

 

Een overzicht van alle COVID-19 gerelateerde berichten en onderzoeken binnen UNO-VUmc vind je hier.

 

 

Medicatie voorschrijven. Een wezenlijk onderdeel van de behandeling door dokters. Daar valt veel over te zeggen. In Nederland belanden jaarlijks ruim 27.000 mensen in het ziekenhuis door verkeerd medicijngebruik en het geschatte overlijden ten gevolge hiervan ligt rond de 2000 patiënten. En dat blijkt nog een conservatieve inschatting.
Wij hopen daarom dat je met plezier het voorlopig laatste nummer van ons H&O magazine leest. Met artikelen over onder meer farmacotherapieonderwijs, antidepressiva en slapeloosheid en interviews met specialist ouderengeneeskunde Jos van Berkel en artsmicrobioloog Thecla Hekker.

H&O magazine. Medicatie: onderwijs, onderzoek en praktijk

 

De kracht van ons netwerk: door samenwerking beter.

2019, een jaar waarin binnen ons netwerk hard gewerkt is om verder bij te dragen aan goede zorg en behandeling voor ouderen met complexe zorgvragen.

De kracht van ons netwerk zit in samenwerking: samenwerking tussen zorgverleners en onderzoekers, samenwerking tussen de UNO-organisaties onderling en samenwerking met organisaties buiten ons netwerk. En de laatste jaren groeit ook de samenwerking met cliënten en hun vertegenwoordigers. De ambitie om ouderen goede zorg en behandeling te verlenen en hiertoe kennis te ontwikkelen, te delen en toe te passen verbindt ons. We richten ons daarbij op onze thema’s ‘goede zorg voor mensen met hersenaandoeningen’, ‘goede zorg voor revalidanten’ en ‘goede organisatie van zorg’.

Wij geven in dit jaarverslag graag een beeld van onze activiteiten in 2019. En we laten u graag kennis maken met de mensen die daarbij betrokken zijn, want juist zij vormen de drijvende kracht achter ons netwerk. Dit zijn bijvoorbeeld de cliëntvertegenwoordigers die samen met zorgverleners en onderzoekers deelnemen aan de UNO-/wetenschapscommissies; Of de zorgverleners en onderzoekers die binnen de themagroepen de vertaling van wetenschap naar praktijk maken, en andersom ook de vertaling van de praktijk naar de wetenschap; de bestuurders die samen met ons kiezen voor de start van een ontwikkelpraktijk, en die daarmee onderzoekers en zorgverleners de ruimte geven om onderzoek te ontwikkelen op de werkvloer; En dit zijn ook onze promovendi die zorgen dat het onderzoek waar zij verantwoordelijk voor zijn op een goede manier wordt uitgevoerd.

Over deze mensen, en de projecten waaraan zij bijdragen gaat het in dit jaarverslag.

Veel leesplezier!

 

Welke aspecten spelen een rol om tot weloverwogen besluiten te komen?

Vanaf 19 maart 2020, geldt een stringente bezoekregeling in verpleeghuizen. Hoewel de maatregel op goede gronden is getroffen, plaatst deze professionals in de langdurige zorg voor lastige dilemma’s. Vanaf 11 mei 2020 zal de regeling stapsgewijs verruimd worden, te beginnen met één bezoeker per persoon onder strikte voorwaarden in 25 geselecteerde verpleeghuizen.

Medio april 2020 inventariseerden wij de dilemma’s die specialisten ouderen geneeskunde in opleiding, hun opleiders en docenten ervaren onder de strikte bezoekregeling. De eerste resultaten uit deze survey geven een goede indruk van wat de meest schrijnende situaties zijn. Deze vragen prioriteit bij de invulling van de verruiming van de bezoekregeling. Aan de hand van vier casus willen wij laten zien dat de gevolgen van de bezoekregeling diep kunnen ingrijpen in het leven van mensen in het verpleeghuis. Tegelijk bieden deze casus aanknopingspunten voor de inhoudelijke invulling van de verruimde/versoepelde bezoekregeling.
Lees hier het volledige artikel.

En klik hier voor een bezoek aan onze COVID-19 pagina, waar u ons laatste nieuws over dit onderwerp kunt lezen.

Het corona virus houdt Nederland in zijn greep. Wij doen er alles aan om de verspreiding van het virus terug te dringen. Daartoe is nodig dat we snel beter inzicht krijgen in hoe het virus zich binnen het verpleeghuis verspreidt. Uit onderzoek dat in het buitenland (VS) is uitgevoerd, komt naar voren dat mensen mogelijk al besmettelijk kunnen zijn voordat ze zelf ziekteverschijnselen krijgen. Om bewoners en medewerkers optimaal te kunnen beschermen, vinden wij het van groot belang om na te gaan of dat werkelijk zo is.

Daarom is op maandag 4 mei een onderzoek gestart in 3 verpleeghuizen verspreid over Nederland. Bewoners en medewerkers van betrokken organisaties zijn hier inmiddels over geïnformeerd. Het betreft de organisaties Argos Zorggroep, Cordaan en Tante Louise. Per organisatie doet één zorglocatie mee.

Testen
Alle bewoners en medewerkers worden systematisch getest op besmetting met het corona-virus. Iedereen wordt dus gevraagd zich te laten testen – ook als zij recent al getest zijn. Tegelijk vragen wij medewerking bij het invullen van een korte vragenlijst over klachten die mogelijk kunnen wijzen op een infectie. Dit doen we samen met de GGD. In de week van 11 mei wordt de vragenlijst opnieuw afgenomen en worden bewoners en medewerkers die eerder niet besmet waren opnieuw getest. Dezen worden dan een week later (week van 18 mei) opnieuw gevraagd de vragenlijst in te vullen. Alle testuitslagen die wijzen op de aanwezigheid van het virus, worden vervolgens nader geanalyseerd om vast te stellen of het om dezelfde stam van het coronavirus gaat.

Onderzoekers van Amsterdam UMC, onder leiding van prof. Cees Hertogh en prof. Bianca Buurman, gaan onderzoeken, op grond van de testgegevens en vragenlijsten, hoe het virus zich verspreidt. Zij zullen de betrokken organisaties en de sector adviseren over de maatregelen die getroffen moeten worden om het coronavirus doeltreffend te bestrijden.

Wij verwachten dat de resultaten van deze aanpak niet alleen de medewerkers en bewoners van de betrokken organisaties ten goede zullen komen, maar ook de basis gaan vormen voor landelijke beleid om het Corona virus in verpleeghuizen terug te dringen en uitbraken te voorkomen.

Samen krijgen we het coronavirus onder controle!

 

Meer informatie over COVID-19 gerelateerde onderzoeken en onderwerpen vind je hier. 

Voor pers gerelateerde vragen mag u contact opnemen met:

Maike Sparrius (maike.sparrius@amsterdamumc.nl)
Communicatie- en Kennisadviseur UNO-VUmc
Amsterdam UMC

 

Op 18 maart is er een landelijk registratie gestart om inzicht te krijgen in de prevalentie van (vermoedelijke) COVID-19 in de langdurige zorg. De registratie vindt plaats via verschillende EPD’s in het kader van het programma ‘Leren van data’, waarin Verenso, het Universitair Netwerk Ouderenzorg van Amsterdam UMC (UNO-VUmc) en NIVEL samenwerken.

Onderzoekers van UNO-VUmc analyseren en rapporteren de gegevens uit de COVID-registratie binnen het EPD Ysis. Deze registratie is erop gericht om inzicht te krijgen in een aantal urgente vragen vanuit het veld.

Dit betreft vragen als: Hoe is het beloop van een COVID-19 infectie in de ouderenzorg? Wat zijn de kenmerken van bewoners met een (vermoedelijke) COVID-19 infectie? Wat zijn de symptomen van COVID-19 bij kwetsbare ouderen en in hoeverre zien we onder hen een atypische presentatie?

De bevindingen worden de komende tijd gerapporteerd in diverse factsheets. De eerste factsheet is nu klaar en hier te vinden. Deze factsheet laat het aantal bevestigde COVID-19 infecties zien, de symptomen die verpleeghuisbewoners hebben bij een verdenking op COVID-19, en het beloop (klinische verbetering of verslechtering, herstel, ziekenhuisopname, overlijden) gebaseerd op de eerste 4 weken registratiegegevens, waarbij de tijd dat bewoners gevolgd konden worden per bewoner verschillend is.

 

Interview in Trouw, 29 april 2020 (door Marco Visser)

 

Hoogleraar ouderengeneeskunde Cees Hertogh: ‘Met de kennis van nu, hadden we het anders aangepakt in verpleeghuizen’

Ja, met de kennis van nu zouden er minder bewoners van verpleeghuizen zijn overleden aan de gevolgen van een besmetting met Sars-Cov-2, stelt hoogleraar ouderengeneeskunde Cees Hertogh. Maar ook de kennis van nu is beperkt. Volgende maand start Hertogh een onderzoek naar de verspreiding van het virus in verpleeghuizen.

Als we wisten wat we nu weten, dan zouden er andere keuzes zijn gemaakt in verpleeghuizen en zouden er minder bewoners zijn overleden. Dat stelt hoogleraar ouderengeneeskunde aan de VUmc in Amsterdam, Cees Hertogh, als antwoord op de vraag of meer beschermingsmiddelen in verpleeghuizen tot minder doden hadden geleid. “Het is een als-danvraag. Als er in het begin voldoende beschermingsmiddelen waren, hadden we het virus voor een deel kunnen indammen.”

De nadruk ligt op ‘voor een deel’, want toen het coronavirus opdook, ontbrak het aan kennis. Zo gingen virologen er nog vanuit dat besmetting alleen mogelijk was als een patiënt duidelijke symptomen van Covid-19 had. Maar het lijkt erop dat personen zonder klachten besmettelijk kunnen zijn, net als personen met klachten die ogenschijnlijk niets met de ziekte te maken hebben. Zelfs al zouden er voldoende beschermingsmiddelen zijn geweest, dan nog had het gebrek aan kennis over deze zogenoemde ‘presymptomatische’ en ‘asymptomayische verspreiding’ van het virus gezorgd voor uitbraken, stelt Hertogh. Zij het minder ernstig.

De virusroute

Wat de rol is van de presymptomatische verspreiding, gaan Hertogh en Bianca Buurman van het AmsterdamUMC vanaf 4 mei onderzoeken door 1500 medewerkers en bewoners van verpleeghuizen te testen en te volgen. Er zijn vanuit Amerikaanse onderzoeken al aanwijzingen dat het virus zich onopgemerkt kan verspreiden omdat het zich anders gedraagt dan gedacht. Hertogh en Buurman betrekken niet alleen de bewoners maar ook de medewerkers bij het onderzoek. Zo wordt duidelijker wat de wisselwerking is tussen bewoners en medewerkers.

“Een route die het virus kan nemen verloopt via de bewoners”, zegt Hertogh. “Bijvoorbeeld als bewoners zijn verplaatst van ziekenhuis naar verpleeghuis. Of van huis uit zijn opgenomen. Daar waar men in en uit gaat, daar ligt de transmissieroute. Het grootste aantal mensen dat naar binnen en naar buiten gaat, zijn de zorgmedewerkers. Als het virus eenmaal bij de bewoners is, kan het van de ene bewoner op de andere overgedragen worden. En vervolgens weer op een medewerker. Als je dan ook nog eens onvoldoende beschermende middelen hebt, kan het snel gaan.”

Het onderzoek zal een maand duren. De eerste bevindingen maken Hertogh en Buurman tussentijds bekend.

De hygiëne op orde

Met de resultaten kunnen het Outbreak Management Team en het kabinet bekijken hoe zij het beste de deuren van de verpleeghuizen kunnen openen. Minister Hugo de Jonge (volksgezondheid, welzijn en sport) wil zo lang niet wachten. Hij kondigde versoepelingen aan vanaf 11 mei. Maar dan alleen bij verpleeghuizen met weinig coronabesmettingen, omdat je zo zou weten dat die locatie de hygiëne op orde heeft, zei De Jonge in het Nederlands Dagblad. Een ongelukkige uitspraak, vindt Hertogh. Door te suggereren dat verpleeghuizen waar de hygiëne op orde is veiliger zijn, suggereert de minister ook het omgekeerde; dat verpleeghuizen met veel besmettingen daar zelf schuldig aan zijn.

“Het noorden is relatief gespaard gebleven. Hebben verpleeghuizen in het noorden betere hygiënemaatregelen dan verpleeghuizen in Noord-Brabant? Die stelling durf ik niet aan”, zegt Hertogh.

Gemaakte fouten

Waarom bijvoorbeeld in het Heemsteedse woonzorgcentrum Kennemerduin tientallen bewoners sterven en in een verpleeghuis even verderop niemand, is een complexe vraag. Hertogh en Buurman hopen met het onderzoek bij te dragen aan antwoord. “Hygiënemaatregelen spelen zeker een rol, maar besmetting en sterfte hangen ook samen met de kwetsbaarheid en de complexiteit van bewoners. Bewoners met dementie bijvoorbeeld kunnen zich niet aan voorschriften houden omdat ze die niet begrijpen. Dan is er nog het gebouw. Als je een kleinschalige woonorganisatie bent met iedereen een eigen kamer en weinig gemeenschappelijke activiteiten, is het makkelijker het virus te controleren dan als je veel gemeenschappelijke ruimtes en meerpersoonskamers hebt. Het is echt te gemakkelijk om te zeggen: als je hygiënemaatregelen op orde zijn, komt covid niet binnen.”

Hertogh merkt dat de stemming verandert en dat in de media wordt gezocht naar personen of instanties die fouten hebben gemaakt. Dat stoort hem. “We moeten nu adviezen voor beleid en goede zorg geven in een situatie van grote onzekerheid en beperkt wetenschappelijk bewijs. Dus varen we vooral op kennis van experts en zetten we heel snel onderzoek op om meer te weten te komen over dit virus.”

Maar als er fouten zijn gemaakt, dan moeten deze toch worden benoemd? “Je maakt een fout als je weet hoe de regels zijn en als je deze overtreedt. Nu leven we in een landschap waarin veel onduidelijk is en waarin we de regels voor goede zorg nog aan het ontwikkelen zijn op basis van voortschrijdend inzicht. Achteraf weten we altijd hoe het beter had gekund, maar we moeten handelen met de inzichten van nu. Als we een maand geleden wisten wat we nu weten, ja, dan hadden we het anders gedaan.”

 

Met als thema Acute Ouderengeneeskunde biedt het Tijdschrift voor Ouderengeneeskunde deze maand een schat aan actuele informatie. Lees onder andere het artikel ‘COVID-19 onder medewerkers in het verpleeghuis met verkoudheidsklachten, maar zonder koorts’, en blader door naar het artikel van:

– Eefje Sizoo en Marja Depla over behandelbeslissingen na een ernstig CVA

– Tjarda Boere en Laura van Buul over het UPCARE-onderzoek

– ‘Hora est’ van de promotie van Ineke Gerridzen (‘Nothing is wrong with me’)

– AIOS Heleen Driever

Lees hier het april nummer.

De COVID-19 pandemie heeft een onwaarschijnlijk grote impact op de gezondheidszorg, en terwijl we dit schrijven beseffen we dat het eind nog lang niet inzicht is. Het virus verspreidt zich erg snel en onvoorspelbaar. Ouderen en mensen met comorbiditeit zijn de meest bedreigde groep, zij hebben een duidelijk slechtere prognose.
De afgelopen weken is hard gewerkt aan een behandeladvies specifiek voor ouderen. Verschillende experts, waaronder medewerkers van de verschillende academische werkplaatsen hebben hier hun steentje aan bijgedragen.

 

Bekijk hier het Behandeladvies Post-COVID-19 Geriatrische revalidatie.

Voor alle COVID-19 gerelateerde berichten van het UNO-VUmc, klik hier.

Hoe is het beloop van een COVID-19 infectie in de ouderenzorg?

– Wat zijn de kenmerken van bewoners met een verdenking op, c.q. een bevestigde COVID-19 infectie?

– Wat zijn de symptomen van COVID-19 bij kwetsbare ouderen en in hoeverre zien we onder hen een atypische ziektepresentatie?

 

Om beter inzicht te krijgen in het beloop van (verdenkingen op) COVID-19 infecties in de ouderenzorg/langdurige zorg roepen wij alle artsen en behandeldiensten op die met het EPD YSIS werken om deel te nemen aan de registratie rondom COVID-19. Door deelname aan deze registratie ontvangt u tevens feedback over de situatie in uw eigen organisatie.

De registratie van COVID-19 is onlangs gestart in Ysis op verzoek van Verenso. Verenso en Amsterdam UMC hebben de registratie nu aangepast zodat ook het beloop van COVID-19 beter geregistreerd kan worden. Deze activiteit valt onder het onlangs gestarte (en door VWS gesubsidieerde) programma Leren van Data waarin Verenso en het Universitair Netwerk Ouderenzorg van Amsterdam UMC (UNO-VUmc) nauw samenwerken aan hergebruik van zorggegevens uit Ysis ten behoeve van kwaliteitsverbetering en kennisontwikkeling voor en door specialisten ouderengeneeskunde. De specifieke COVID-19 registraties zijn opgezet met een beperkte registratielast voor zorgverleners. Zij stellen ons in staat om op urgente vragen zoals boven gesteld een antwoord te geven.

Help ons in kaart te brengen hoe COVID-19 zich gedraagt in de ouderenzorg/langdurige zorg en doe mee! Alle instellingen die Ysis gebruiken krijgen automatisch toegang tot deze verbeterde registratie en ook tot de dashboards die ‘real-time’ feedback geven.

 

Namens het programma Leren van Data 

Nienke Nieuwenhuizen, voorzitter Verenso

Thomas Ferguson, directeur Gerimedica

Cees Hertogh, Hoogleraar ouderengeneeskunde, Amsterdam UMC & UNO VUmc

 

Lees hier meer over Leren van Data.

 

Samenwerkingsverbanden tussen verpleeghuisorganisaties en de eerste lijn

We hebben in Nederland te maken met een trend van vergrijzing, een toename in prevalentie van chronische aandoeningen en vooruitgang in de medische mogelijkheden.1,2 Er komen steeds meer kwetsbare ouderen met complexe zorgbehoeften. Door veranderingen in de zorg, waaronder de overheveling van AWBZ naar WMO, wonen deze ouderen langer thuis en is de verantwoordelijkheid van de eerstelijnszorg en het sociale domein (zorg en welzijn) toegenomen.3 Dit vraagt om optimalisering van de integrale zorgverlening aan deze populatie, wat op haar beurt vraagt om een goede organisatie en intensivering van samenwerkingsverbanden binnen de hele zorgketen.4

In Nederland wordt op verschillende manieren invulling gegeven aan het creëren van dergelijke samenwerkingsverbanden rondom kwetsbare ouderen. Ook binnen het Universitair Netwerk Ouderenzorg van Amsterdam UMC (UNO-VUmc, zie kadertekst) bleek na rondvraag onder de 25 aangesloten ouderenzorgorganisaties, dat er verschillende samenwerkingsverbanden tussen verpleeghuisorganisaties en de eerste lijn bestaan. Er bestaat echter geen duidelijk overzicht van welke soorten samenwerkingsverbanden er zijn, wat de verschillende werkwijzen en betrokken partijen hierbij zijn, en welke succesfactoren en knelpunten hierin een rol spelen.

Om een dergelijk overzicht te genereren, hebben wij een onderzoeksproject uitgevoerd onder ouderenzorgorganisaties binnen het UNO-VUmc. Dit artikel beschrijft de uitkomsten hiervan, met als doel het bieden van inspiratie aan partijen die de ambitie hebben om samenwerkingsverbanden rondom thuiswonende kwetsbare ouderen op te zetten, of om al bestaande samenwerkingsverbanden te optimaliseren.

 

Het hele artikel in het Tijdschrift voor Ouderen lezen? Klik hier.

 

 

 

Het team van UNO-VUmc breidt uit.

Interesse in één van deze mooie vacatures? Laten we kennismaken!

24 februari:

Voor een recent overzicht ga naar Werken bij UNO.

Programmamanager, project Leren van data
Als programmamanager stuur en monitor je het unieke programma ‘Leren van data’, draag je zorg voor samenhang en onderlinge afstemming van de onderdelen (‘Pijlers’) in het programma en tussen verschillende betrokken partijen. Je hebt de dagelijkse leiding over dit programma en bent verantwoordelijk voor de algehele voortgang. Lees hier de volledige vacature.

Arts-onderzoeker, project Leren van data
Als arts-onderzoeker werk je mee aan het zojuist gestarte programma  ‘Leren van data’ om (her)gebruik van zorggegevens in de ouderengeneeskunde te verbeteren ten behoeve van kwaliteitsverbetering en informatie-uitwisseling. Bekijk hier de vacature.

Senior Onderzoeker
Als onderzoeker bij UNO-VUmc zul je je bezighouden met het ontwikkelen en begeleiden van (promotie)onderzoek op het gebied van de thema’s Geriatrische revalidatiezorg en Organisatie van zorg. Onder dit laatste thema vallen onderwerpen zoals zorgtechnologie en de inzet van verpleeghuis expertise voor kwetsbare ouderen die (nog) thuis wonen. Samen met de andere onderzoekers uit het UNO-team, draag je ook bij aan het verwerven van subsidies voor nieuwe onderzoeksprojecten. Lees hier de volledige vacature.

Onderzoeksassistent
In deze functie draag je bij aan het internationale onderzoeksproject ImpresU met als doel het terugdringen van overmatig antibioticagebruik bij kwetsbare ouderen. Bekijk hier de volledige vacature.

Antibioticaresistentie is wereldwijd één van de grootste bedreigingen voor de gezondheidszorg. In het ergste geval zijn bacteriële infecties in de toekomst niet meer te behandelen. In de workshop die Laura van Buul, coördinator en onderzoeker bij UNO-VUmc, op het Zoek het Uit congres op maandag 10 februari gaf, kwamen de laatste inzichten op gebied van infecties bij ouderen voorbij.

Gemist of nog eens nalezen? Lees hier het verslag opgetekend door Vilans.

Op woensdag 11 maart 2020 om 15.45 uur vindt de promotieplechtigheid plaats van Ineke Gerridzen, specialist ouderengeneeskunde bij Atlant.

Zij mag dan haar proefschrift ‘Nothing is wrong with me. Behavioural symptoms and awareness in people with Korsakoff syndrome and other alcohol-related cognitive disorders living in nursing homes’ in het openbaar verdedigen. In 2014 is zij samen met Atlant en de afdeling Huisartsgeneeskunde en ouderengeneeskunde van Amsterdam UMC, locatie VUmc onder begeleiding van prof. dr. Cees Hertogh gestart met de KORSAKOV-studie. Dit betreft een beschrijvend onderzoek naar de kenmerken en het functioneren van mensen met het syndroom van Korsakov die in het verpleeghuis verblijven en richtte zich specifiek op het voorkomen van probleemgedrag en ziekte-inzicht, en de onderlinge verbanden bij deze groep mensen. Aan dit onderzoek hebben diverse zorgorganisaties deelgenomen.

Voorafgaande aan de promotieplechtigheid zal een minisymposium gehouden worden.

U bent van harte uitgenodigd voor zowel het minisymposium als de promotieplechtigheid. Via deze link kunt u zich aanmelden.

Titel van het minisymposium:

‘Korsakov op de kaart’. Hoe kennisontwikkeling bijdraagt aan specialistische zorg voor mensen met het syndroom van Korsakov.

Datum: woensdag 11 maart 2020

Locatie: Auditorium Hoofdgebouw Vrije Universiteit, Amsterdam

Adres: De Boelelaan 1105, 1081 HV Amsterdam

Routebeschrijving: vanaf de hoofdingang van het Hoofdgebouw loopt u rechts de trap op tot u in de foyer komt en dan weer links de trap op naar het aulaniveau. Als u hier linksaf loopt ziet u aan uw linkerzijde het auditorium.

 

Programma symposium en promotieplechtigheid:

12.00 – 13.00   Inloop met koffie/thee/broodjes

13.00 – 13.10   Opening en introductie van de dagvoorzitter door prof. dr. Cees Hertogh, hoogleraar Ouderengeneeskunde & Ethiek van de zorg voor kwetsbare ouderen, UNO-VUmc

13.10 – 13.20    Dagvoorzitter drs. Thijs Houtappels, bestuurder Atlant en bestuurslid Korsakov Kenniscentrum

13.20 – 13.40   Wetenschap en cognitie, interview prof. dr. Roy Kessels, hoogleraar neuropsychologie, Radboud Universiteit, Donders Instituut en voorzitter Wetenschapsraad Korsakov Kenniscentrum

13.40 – 14.00   Een kijkje in het brein; wat is bewustzijn/awareness? Anouk van Loon, cognitieve neurowetenschappen, onderzoeker, UNO-VUmc

14.00 – 14.10   De ontwikkeling van kennis- en expertisecentra. Vlog met o.a. Anno Pomp, Coördinator Strategie Directie Langdurige Zorg, Ministerie van VWS. Cynthia Vogeler MSc, directeur Korsakov Kenniscentrum. Loes van Dusseldorp MSc, onderzoeksbegeleider en praktijkonderzoeker, Atlant. Wiltine Moerman MSc, psycholoog/onderzoeker, Atlant.

14.10 – 14.30   Expertisecentrum in de praktijk, Hedwig de Vries, Directeur behandeling en begeleiding, Atlant en Ester Willemse, Programmamanager Expertisecentra, Atlant

14.30 – 14.50   Wilsbekwaamheid bij het syndroom van Korsakov:
een ethisch perspectief door prof. dr. Cees Hertogh

14.50 – 15.00   Sluiting dagvoorzitter

15.00 – 15.45   Pauze, gelegenheid om naar de aula te lopen

15.45 – 17.15    Promotieplechtigheid

17.15 – 18.00    Receptie

 

Bekijk hier de uitnodiging. 

Om (her)gebruik van zorggegevens in de ouderengeneeskunde te verbeteren hebben het Universitair Netwerk Ouderenzorg van Amsterdam UMC, Verenso en het Nivel gezamenlijk een belangrijke programmasubsidie van het ministerie van VWS ontvangen. Het programma richt zich op eenheid van taal en het ontsluiten, bij elkaar brengen en beter benutten van gegevens die door specialisten ouderengeneeskunde worden vastgelegd in het elektronisch patiëntendossier (EPD) in verpleeghuizen.

Hoeveel mensen verblijven in Nederland op een afdeling psychogeriatrie of somatiek in een verpleeghuis? Hoelang verblijven ze daar en welke zorg ontvangen zij precies? Hoeveel psychofarmaca en antibiotica worden er in een verpleeghuis voorgeschreven en voor welke indicatie?
Op dit moment ontbreekt het aan een objectief, betrouwbaar en valide antwoord op dit soort vragen. Terwijl deze gegevens een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van de kwaliteit van zorg.

EPD meer inzetten voor ontwikkelen kennis en kwaliteit van zorg
In principe is het mogelijk om bovengenoemde vragen te beantwoorden met gegevens die door specialisten ouderengeneeskunde worden vastgelegd in het EPD. Gebruik van gegevens uit het EPD ten behoeve van kwaliteitsverbetering en informatie-uitwisseling vindt echter nauwelijks plaats. Ook worden de gegevens op dit moment onvoldoende gebruikt voor kennisontwikkeling in de sector.

Samenwerking
Om hier verandering in aan te brengen hebben drie partijen de handen ineen geslagen: het  Universitair Netwerk Ouderenzorg van Amsterdam UMC (UNO-VUmc), Verenso, de beroepsvereniging van specialisten ouderengeneeskunde, en het Nivel, Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg. Onder penvoerderschap van Amsterdam UMC werken zij nauw samen in het consortium dat de naam Leren van Data zal dragen.

De subsidie van €7.692.524,- is  verleend voor een periode van vijf jaar. Het programma richt zich op het meer gestandaardiseerd vastleggen van gegevens (eenheid van taal), het inzichtelijk maken van relevante gegevens voor specialisten ouderengeneeskunde, het koppelen van EPD’s en elektronische voorschrijfsystemen (EVS) en op de ontwikkeling van een landelijke infrastructuur. Tot dit laatste behoort ook het opzetten van een landelijk representatief netwerk van peilstations, ten behoeve van kennisontwikkeling. Het programma wordt ontwikkeld in samenwerking met de overige academische werkplaatsen ouderenzorg verenigd in SANO en wordt landelijk uitgezet. Het houdt rekening met de verschillende EPD-systemen die momenteel door specialisten ouderengeneeskunde worden gebruikt.

Professionaliseringsslag in de ouderengeneeskunde
“Dankzij deze subsidie kunnen specialisten ouderengeneeskunde zorggegevens die zij reeds vastleggen beter benutten, zowel met het oog op kwaliteit van zorg als informatie-uitwisseling tussen professionals. Door deze gegevens ook te gebruiken voor kennisontwikkeling kunnen we een flinke professionaliseringsslag maken in de ouderengeneeskunde”, aldus Cees Hertogh, hoogleraar ouderengeneeskunde en ethiek van de zorg bij Amsterdam UMC.

——————————————————————————————————————————

Noot voor de redactie, niet voor publicatie

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:

Amsterdam UMC, UNO-VUmc
Maike Sparrius, communicatieadviseur
Tel. 06 51 49 89 28 | maike.sparrius@amsterdamumc.nl | www.unovumc.nl

Verenso, vereniging van specialisten ouderengeneeskunde
Lyanneke Krauss, communicatieadviseur
Tel. 030 227 1910 | info@verenso.nl |www.verenso.nl

Het Nivel
Anneke Francke en/ of Robert Verheij
a.francke@nivel.nl en r.verheij@nivel.nl
Tel. 030 – 27 29 700 | www.nivel.nl

Persbericht Leren van Data met logo’s van deelnemende organisaties

 

PERSBERICHT

Als na een ernstige beroerte de vraag rijst of wel of niet doorbehandelen zinvol en gewenst is (bijvoorbeeld het al dan niet starten of voortzetten van sondevoeding), staan artsen en familieleden vaak voor een ingewikkeld dilemma. In de praktijk blijkt dat arts-assistenten neurologie deze complexe familiegesprekken vaak voeren, maar dat onderwijs hierin niet een vast onderdeel is van de opleiding.

Ter ondersteuning is nu een hulpmiddel ontwikkeld dat de arts en de familie helpt gezamenlijk een besluit te nemen op basis van drie invalshoeken die voor deze beslissing van belang zijn: de (veronderstelde) keuze van de patiënt, de medische noodzaak en het comfort van de patiënt. Voor degenen die zich verder in dit onderwerp willen verdiepen is er tevens een e-learning ontwikkeld. De website is vrij toegankelijk en de e-learning kan voorlopig kosteloos worden gevolgd.

http://www.behandelbeleidbijberoerte.nl en www.sondevoedingnaberoerte.nl

Achtergrond
De eerste periode na een ernstige beroerte is een heftige en onzekere fase waarin zowel de overlevingskans als de mogelijkheden voor herstel worden ingeschat. In deze periode kunnen neurologen en familieleden van patiënten voor moreel beladen keuzes over de behandeling komen te staan. Doen we alles wat kan, of zijn er behandelingen waar artsen in overleg met de familie vanaf besluiten te zien? Deze beslissingen worden maar beperkt gebaseerd op wetenschappelijk bewijs. De (veronderstelde) voorkeur van de patiënt is een hele belangrijke factor bij het uiteindelijke besluit.

Tot nu toe is het voeren van complexe familiegesprekken waarin moeilijke besluiten moeten worden genomen geen vast onderdeel van de opleiding. Neuroloog Marjolein Geurts (Erasmus MC, gepromoveerd op besluitvorming na beroerte)) zegt hierover: “Het is een gemis dat dit onderwerp nog geen vast onderdeel is van de opleiding tot neuroloog. Beginnend arts assistenten moeten deze gesprekken vaak voeren, maar zijn hier meestal niet in getraind. Zij zijn hierin afhankelijk van de supervisor. Arts assistenten zien op tegen deze gesprekken omdat ze niet weten hoe ze dit het best kunnen aanpakken. Het is belangrijk dat hier nu handvatten voor zijn.” Om die reden is het hulpmiddel inmiddels in de landelijke nascholing ‘cerebrovasculaire ziekten’ voor neurologen (de Biemond cursus) besproken.

Hulpmiddel om te beslissen
Het al dan niet starten of voortzetten van sondevoeding na een ernstige beroerte is de beslissing die het meest aanleiding geeft tot dilemma’s en discussie, blijkt uit onderzoek. Analyse van de wijze waarop de beslissing over sondevoeding tot stand komt, leverde drie invalshoeken op van waaruit artsen, verpleegkundigen en naasten de beslissing over sondevoeding benaderden: vanuit de wens van de patiënt, vanuit de (medische) noodzaak en vanuit het comfort van de patiënt.

Het hulpmiddel is op www.behandelbeleidbijberoerte.nl en www.sondevoedingnaberoerte.nl te raadplegen. Deze nieuwe en interactieve website is ontwikkeld om artsen die te maken hebben met een situatie waarbij twijfel bestaat over wel of niet doorbehandelen (bijvoorbeeld met sondevoeding), te helpen relevante argumenten per invalshoek te verkennen. Zij krijgen inzicht in welke informatie zij nodig hebben van de (familie van) de patiënt, wat zij helder moeten hebben over de prognose en de (on)zekerheid daarvan en hoe zij het comfort van de patiënt kunnen onderzoeken. Met het doorlopen van de drie invalshoeken kan de arts het familiegesprek goed voorbereiden en zorgvuldig voeren.

De nieuw ontwikkelde e-learning gaat dieper in op het besluitvormingsmodel, het inschatten van de prognose en de relevante wettelijke kaders bij de besluitvorming. De cursist leert aan de hand van een casus te werken met het besluitvormingsmodel en te herkennen waarom de besluitvorming dilemma’s oproept.

Informatie voor familie
Op de website is ook een pagina ingericht voor familieleden van patiënten zodat zij zich goed op het gesprek kunnen voorbereiden. Uit de praktijk blijkt dat dit niet vaak genoeg gebeurt. Een test-gebruiker zegt hierover: “Mijn partner is overleden na een ernstige beroerte. Had ik maar zo’n gesprek gehad destijds. Als familielid wil je zo veel mogelijk meegenomen worden in het beslisproces. Via dit beslismodel komen de onderwerpen die er toe doen allemaal naar boven.”

Totstandkoming Dit project is uitgevoerd door de afdelingen Ouderengeneeskunde en Neurologie van Amsterdam UMC, locatie VUmc. Het project is mogelijk gemaakt door ZonMw en maakt deel uit van het programma Palliantie, meer dan zorg. Het beslismodel dat uit het onderzoek naar boven kwam is in samenspraak met een groep van 14 experts* vertaald naar een beslismodel voor de praktijk.

* o.a. neurologen (in opleiding) uit verschillende ziekenhuizen, verpleegkundigen, artsen met expertise in palliatieve zorg en familieleden van patiënten die een ernstige beroerte hebben doorgemaakt

 

NOOT VOOR DE REDACTIE (niet voor publicatie)
Heeft u vragen over dit onderwerp of wilt u een interview aanvragen. Neemt u dan contact met Dr. Eefje Sizoo, onderzoeker en projectleider via e.sizoo@amsterdamumc.nl of Maike Sparrius, communicatie adviseur, via maike.sparrius@amsterdamumc.nl of bel tijdens kantooruren met 020 – 444 8374.

 

 

 

Probleemgedrag of onbegrepen gedrag bij dementie.
Je kunt je als professional soms goed machteloos voelen. Vooral als je het gevoel hebt alles al geprobeerd te hebben.

De door Vilans erkende interventie Grip op probleemgedrag is een methodiek waarmee probleemgedrag van mensen met dementie in zorginstellingen op een gestructureerde en multidisciplinaire wijze wordt gesignaleerd, geanalyseerd en geëvalueerd.

Door te werken met GRIP voelen mensen met dementie zich prettiger en hun naasten daardoor ook. Bovendien, en minstens zo belangrijk, werk je als professional een stuk prettiger als je meer grip krijgt op probleemgedrag. Zo geeft GRIP iedereen binnen het multidisciplinaire team een duidelijke rol. Voor de zorgmedewerkers betekent dit dat hun deskundigheid veel beter wordt benut en gewaardeerd. Dit resulteert weer in meer werktevredenheid en een lager ziekteverzuim.

Grip op probleemgedrag, is een door @Vilans erkende interventie en een wetenschappelijk bewezen effectieve methode om probleemgedrag aan te pakken én het gebruik van psychofarmaca te verminderen.

Ook werken met GRIP?
Bij deze train-de-trainer cursus van GERION word je opgeleid tot lokale GRIP coördinator. Je leert bij de train-de-trainer cursus hoe je in je eigen instellingen en binnen je eigen team het zorgprogramma kan implementeren.

Na het volgen van de cursus kun je direct aan de slag met de implementatie van GRIP binnen jouw eigen organisatie. Meer weten? Ga naar www.gerion.nl voor meer info of klik hier voor meer informatie over de train-de-trainer cursus.

Bekijk hier onze GRIP informatie film.

In de Verenigde Staten is AMDA (American Medical Directors Association) de beroepsvereniging voor professionals werkzaam in de langdurige zorg (vergelijkbaar met Verenso in Nederland). Recent is er een internationale werkgroep samengesteld met als doel het beschrijven van best practices voor de diagnose, behandeling en preventie van urineweginfecties in de langdurige zorg. Vanuit het UNO maakten Cees Hertogh en Laura van Buul deel uit van deze werkgroep. De bevindingen van de werkgroep zijn gerapporteerd in een zogenaamde ‘consensus statement’ met praktische aanbevelingen. Deze consensus statement is gepubliceerd in JAMDA, het wetenschappelijk tijdschrift van AMDA, en hier te lezen.

 

 

 

beeld: <a href=”https://www.freepik.com/free-photos-vectors/background”>Background vector created by brgfx – www.freepik.com</a>

 

 

 

 

 

Op donderdag 12 december vond het jaarlijkse UNO symposium weer plaats. Wij vonden het een feestje! Want wat hebben we met veel plezier en interesse geluisterd naar de sprekers én de surprise act. Daarnaast zijn we blij dat onze collega’s uit de aangesloten UNO-organisaties tijdens de zorgtechnologiemarkt met veel passie hebben verteld over de zorgtechnologie waar ze zelf mee werken. Heel waardevol wat ons betreft, om ervaringen te kunnen uitwisselen over deze technologieën. Bijvoorbeeld over hoe de technologie wordt ingezet bij de verschillende organisaties. En over de succesfactoren en valkuilen die daarbij worden ervaren.

In de ochtend stond de vraag centraal óf technologie een oplossing is voor de naderende zorgkloof. Cees Hertogh trapte af. Zijn visie? Technologie neemt problemen weg, maar geeft ook nieuwe behoeften terug. Het is daarom belangrijk om ons goed te blijven afvragen wát de essentie van zorg eigenlijk is, als we nadenken over de inzet van technologie in de zorg. Aansluitend ging Gelle Klein Ikkink in op wat de visie van de overheid is op de naderende zorgkloof, en de rol van technologie daarbij. Hij gaf, net als Cees Hertogh, enkele voorbeelden van hoe we als mensen onze kijk op technologie veranderen door de jaren heen. Zo hebben we nu een hele andere blik op de mobiele telefoon dan 20 jaar geleden (zie ook dit filmpje).

Daarna passeerden voorbeelden van technologie voor verschillende doelgroepen de revue. Franka Meiland gaf een overzicht van verschillende technologieën voor mensen met dementie; wat is er ontzettend veel beschikbaar! Bij de presentatie over GRZ vertelden Marije Holstege en Margriet Pol over onder meer de Hololens, de C-Mill en de Hipper en de onderzoeken die daar naar gedaan zijn.

In de middag trapte Sebastiaan Peek af met een presentatie over welke factoren de aanschaf van technologie door ouderen beïnvloeden, en wat hen zoal doet besluiten de technologie te blijven gebruiken. Hierna gaf Alistair Niemeijer een ethische reflectie op het betrekken van de ‘eindgebruiker’ bij de inzet van zorgtechnologie. Tot slot gaf Sil Aarts ons een aantal praktische handvatten voor hoe je jouw zorgorganisatie ‘innovatie klaar’ kunt maken.

Tijdens de paneldiscussie gaven de panelleden hun visie op hoe zorgtechnologie er in 2035 uit ziet. Dit riep verschillende vragen en reacties op over ethische dilemma’s die een rol spelen bij technologie. Bijvoorbeeld: wordt de zorg onpersoonlijker als er meer technologie wordt ingezet? En: hoe kunnen we om gaan met het steeds verder toenemende aanbod aan technologieën? Dank je wel panelleden Wang Long Li, Thomas Ferguson, Hanneke Bonfrer, Thijs Houtappels, Charlotte Hoogenkamp, Sebastian Peek en Julian Jagtenberg voor jullie visie en input!

En voor wie het heeft kunnen meemaken. Een optreden van Lust for life vergeet je niet snel. Wat een prachtig, ontroerend en spetterende afsluiting van dit mooie symposium.

Heel graag tot volgend jaar iedereen.

 

De presentaties komen dit jaar niet online te staan maar worden aan de deelnemers nagezonden.

UNO Onderzoek & Praktijk prijswinnaars Atlant en Careyn

 

 

Door de toenemende dreiging van antibioticaresistentie wordt het steeds belangrijker om zorgvuldig om te gaan met antibiotica. Het is bekend dat er tussen Europese landen veel variatie is in de mate waarin antibiotica worden gebruikt in verpleeghuizen. Maar hoe zit dit met initiatieven gericht op het stimuleren van goed gebruik van antibiotica, ook wel ‘antibiotic stewardship’ genoemd?

Samen met collega-onderzoekers schreven we een artikel over de ervaringen met antibiotic stewardship in verpleeghuizen in vier verschillende landen: Nederland, Noorwegen, Polen en Zweden. Opvallend is dat er in deze landen veel verschillende initiatieven zijn, waaronder landelijke surveillance, verpleeghuis specifieke antibioticarichtlijnen en nationale netwerken voor uitwisseling en ontwikkeling van antibioticabeleid.

Voor meer informatie over deze en andere initiatieven, en een reflectie daarop, bekijk het artikel op: https://www.jamda.com/article/S1525-8610(19)30736-4/pdf.

 

 

Voor het omgaan met probleemgedrag bij mensen met dementie, zijn inmiddels diverse studies uitgevoerd die vervolgens ook geleid hebben tot praktische tools voor de professionals.
De kennis over het passend voorschrijven van antipsychotica is het laatste voorbeeld hiervan: kennis die voortkomt uit een groot nationaal onderzoek wordt vervolgens omgezet in een praktisch stappenplan. ‘Hoe mooi zou het zijn’, zo staat in de introductie van het Stappenplan, ‘als we het voorschrijven van antipsychotica kunnen terugbrengen tot de gevallen waarin we er zeker van zijn dat het helpt?’

Aanleiding van deze hartenwens zijn de nog steeds hoge antipsychotica-prevalentiecijfer van 25% bij verpleeghuisbewoners met dementie met probleemgedrag en het gegeven dat van alle psychofarmaca slechts 10% is voorgeschreven conform de richtlijn Probleemgedrag.

 

Lees het complete artikel Multidisciplinair samenwerken aan passend gebruik van antipsychotica in het Verenso tijdschrift voor ouderengeneeskunde.

De kunst van het interpreteren bij onbegrepen gedrag, of probleemgedrag? Helaas nog niet vanzelfsprekend, weten ook wij. Leonie Breebaart, schrijver van voornamelijk filosofische stukken, voor dagblad Trouw, schreef er een kort en krachtig artikel over:

“Zo hoorde ik afgelopen zomer een piepjonge invalster het volgende zeggen over een knorrige oude dame: “Maar die mevrouw is vroeger professor geweest. Dat is voor haar best moeilijk, om hier nu te zitten.”

Het omgekeerde komt helaas ook voor: een zeer verdrietige oude dame die te horen krijgt dat ze ‘zich aanstelt’.

Dat kan onmacht zijn, zo’n reactie, maar het laat ook zien hoeveel vermogen tot begrijpen dit vak eigenlijk vraagt – en dat is toch ook wat we intelligentie noemen.”

En zo is het.

Steeds vaker, gelukkig, werken verzorgenden en verpleegkundigen met de methodiek Grip op probleemgedrag bij mensen met dementie. Het doel van de erkende interventie GRIP is de aanpak van probleemgedrag te verbeteren zodat dit de kwaliteit van leven van mensen met dementie verbetert én het gebruik van psychofarmaca vermindert. Want zeer regelmatig worden psychofarmaca gebruikt om probleemgedrag bij deze groep mensen te behandelen. Middelen waarvan het effect beperkt is en vaak bijwerkingen optreden.

Meer weten over GRIP of over de train-de-trainer cursus die hier speciaal voor ontwikkeld is? Lees het allemaal hier.

Over onze dood willen we meer en meer iets te zeggen hebben. We gaan ons ‘recht’ halen bij de dokter (huisarts of ouderenarts), maar die heeft ook een geweten en een agenda. UP! bekijkt vanuit verschillend perspectief hoe dokter en patiënt de actieve levensbeëindiging bespreken.

Presentator Hadassah de Boer ontvangt de volgende gasten:

Professor ouderengeneeskunde Cees Hertogh
Huisarts en columnist van de Volkskrant Joost Zaat
Chazia Mourali, zij schreef Het einde voor beginners over de laatste jaren van het leven van haar terminaal zieke moeder
Warner Prevoo, behalve radioloog ook longkankerpatiënt
en
Hanneke Groenteman die afsluit met een column.

Bekijk hier de opnamen die tijdens de talkshow zijn gemaakt. Een niet te missen gesprek voor elke dokter en iedereen die ouder wordt.

 

Via onderstaande websites kunt u betrouwbare informatie vinden die u kan helpen nadenken over uw zorg- en behandelwensen:

En tot slot:

 

Vers van de pers  ligt voor u het tijdschrift voor huisartsen en specialisten ouderengeneeskunde, met dit keer het thema:

Verbinding: wat heeft de specialist ouderengeneeskunde de huisarts te bieden? Waar komen we elkaar precies tegen en hoe versterken we elkaar?

Lees ook:

– Het interview met Henriëtte van der Horst, nu zij terug treedt als afdelingshoofd.
– In the spotlight: hoe overlappen we de werkvelden van de huisarts en de SO? Rianne Godfried aan het woord.
– Over de passie van Aafke de Groot, haar bijdrage aan de kaderopleiding GRZ en het onderzoek waar ze sinds enkele jaren aan werkt.
– Over de rol van Hein van Hout bij de implementatie van het geriatrische zorgmodel in vier proefregio’s in Amsterdam.
– Het interview met Jessy Uitterwaal-Zegers (AIOS huisartsgeneeskunde) en Karolien Biesheuvel (AIOS ouderen geneeskunde), die hun ervaring met gezamenlijk onderwijs rond kwetsbare ouderen delen.
– De (voor dit magazine) laatste column van Arko Oderwald: ‘Voorbij, voorbij’
– De Honing&Azijn column van Frans Meijman: ‘Medische surveillance van ouderen (Dokteren en in de gaten houden, belofte maakt schuld)’

 

H&O magazine, tijdschrift over ontwikkelingen, actualiteiten en onderzoeken in de zorg van huisartsen en specialisten ouderengeneeskunde. 

 

De pilot van de regionale zorgnetwerken ABR liep in mei 2019 af. Samen met prof dr. Cees Hertogh keek Jeannette Ros van Regionale Zorgnetwerken Antibioticaresistentie NH-FL terug op de afgelopen periode in zijn kamer in het VUmc in Amsterdam.

Eigenlijk heeft hij meerdere petten op, zo vertelt hij. Zo zit hij in het kernteam ABR van het RIVM. Het kernteam bestaat uit vaste medewerkers van het RIVM, maar ook experts van de drie zorgvelden die het programma bestrijkt. Zij zijn betrokken bij het opzetten van de landelijke surveillance. En in het kader daarvan is er een gezamenlijke pilot ontwikkeld: juist gebruik antibiotica. Er is gekeken of het mogelijk is om op basis van bestaande zorgregistraties data boven tafel te krijgen die iets kunnen zeggen over goed gebruik van antibiotica. Met daaraan de vraag koppelend, kan je op basis daarvan ook interventies opzetten?

Verder lezen? Klik hier voor de Nieuwsbrief ABR Zorgnetwerken Noord-Holland en Flevoland 2019.

Een medicatiebeoordeling levert een belangrijke bijdrage aan goed en veilig medicijngebruik en kan gezondheidsschade bij oudere, kwetsbare patiënten voorkomen. De hiervoor bedoelde module Medicatiebeoordeling uit de multidisciplinaire richtlijn Polyfarmacie bij ouderen bleek in de praktijk echter niet te voldoen. De criteria waren niet specifiek genoeg om kwetsbare patiënten te selecteren en zijn daarom in deze module herzien. De patiëntengroep die nu in aanmerking komt voor een medicatiebeoordeling is beter toegespitst op die patiënten waarbij uit onderzoek meer effect blijkt van een medicatiebeoordeling.

De nieuwe module Medicatiebeoordeling stelt dat een medicatiebeoordeling vooral gewenst is bij patiënten met een sterk verhoogd risico op farmacotherapiegerelateerde problemen. De huisarts of de apotheker bepaalt de hoogte van dit risico; een medicatiebeoordeling is niet voor álle ouderen met polyfarmacie noodzakelijk.

Medicatiebeoordeling bij verhoogd risico

Bij patiënten met een vastgesteld sterk verhoogd risico op farmacotherapiegerelateerde problemen, beoordelen huisarts en/of apotheker samen met de patiënt (of mantelzorger) het gebruik van alle medicatie. Het gaat dan bijvoorbeeld om patiënten van 75 jaar of ouder die tien of meer geneesmiddelen gebruiken en/of die tekenen van kwetsbaarheid vertonen. Dat kan bijvoorbeeld op verzoek van de patiënt of mantelzorger, bij signalen van farmacotherapiegerelateerde problemen, verminderde therapietrouw of na een ziekenhuisopname. Het opstellen van afspraken over het gebruik van medicatie verloopt bij voorkeur via een structurele methode zoals de STRIP.

Evaluatie van medicatie

De medicatiebeoordeling is een aanvulling op de al bestaande acties van huisarts en apotheker om de medicatieveiligheid, zowel bij het voorschrijven als het ter hand stellen, te vergroten. Zo heeft de patiënt bijvoorbeeld bij elk voorschrift de mogelijkheid om met de apotheker of huisarts in gesprek te gaan. Huisarts en apotheker maken een risico-inschatting en bepalen in overleg op welke manier de evaluatie van het medicatiegebruik bij de individuele patiënt wordt ingevuld. Dit moet voorkomen dat kwetsbare patiënten ongewenste medicatie gebruiken.

Nascholing

De PIN Polyfarmacie bij ouderen bespreekt verschillende vormen van medicatie-evaluatie. Aan de hand van casuïstiek volgen de deelnemers de stappen van een medicatiebeoordeling en een gerichte farmacotherapieanalyse volgens de STRIP-methodiek. Hierbij komen de START- en STOPP-criteria en een aantal veelvoorkomende interacties, contra-indicaties en bijwerkingen aan de orde. De PIN Polyfarmacie bij ouderen is te vinden in de leeromgeving van het NHG (inlog nodig).

Het Instituut Veilig Medicijngebruik heeft aan de hand van de herziene module Medicatiebeoordeling de fto module herzien.

Patiënteninformatie

Na aanleiding van de herziening van de module Medicatiebeoordeling is ook de informatie op Thuisarts.nl aangepast: Ik ben een oudere en gebruik veel medicijnen

Ook op Apotheek.nl is de patiënteninformatie aangepast: Medicatiebeoordeling: in gesprek over uw medicijngebruik

Totstandkoming

De herziening van de module Medicatiebeoordeling is met steun van VWS tot stand gekomen door de beroepsorganisaties KNMP (apothekers), NVKG (klinisch geriaters), Verenso (ouderengeneeskunde), NHG en de Patiëntenfederatie Nederland.

 

Bron: NHG

Wij zijn verheugd ons netwerk uit te kunnen breiden met Woonzorgconcern IJsselheem actief in de gemeenten Kampen, Zwartewaterland en Zwolle.

IJsselheem is een organisatie gespecialiseerd in zorg, wonen, welzijn en behandeling, en beschikt over grote deskundigheid op het gebied van ziekenhuis gerelateerde zorg en paramedische behandeling.

IJsselheem gaat zich binnen haar lidmaatschap met name richten op Goede zorg voor Revalidanten en wordt om die reden ook onderdeel van onze gelijknamige themagroep. Deze themagroep richt zich onder meer op goal setting (de patiënt centraal), triage, intensiteit van behandeling en ambulante revalidatie.

Wij denken met IJsselheem een enthousiaste organisatie te verwelkomen die een actieve rol kan gaan spelen binnen ons netwerk.

Collega’s van IJsselheem: van harte welkom bij ons mooie netwerk!

Amsterdam, 2 september 2019

 

‘Thirteen reasons why’ is een populaire, maar ook controversiële Netflix serie. Centraal daarin staat het verhaal van Hannah Baker, een middelbare scholiere die zelfmoord pleegt en tevoren cassettebandjes stuurt naar de mensen die zij daar verantwoordelijk voor houdt. Op deze bandjes deelt zij met hen de dertien redenen die haar tot haar zelfmoord hebben gebracht. De serie genereerde veel aandacht voor het thema zelfdoding onder jongeren, maar leidde ook tot navolging en kopieergedrag. En daarmee tot zorg over het uitstralingseffect van een dergelijke serie.

In Nederland staat voor het eerst sinds de legalisering van euthanasie een arts voor de strafrechter op beschuldiging van moord wegens het doden van een wilsonbekwame patiënt met dementie op grond van een schriftelijke wilsverklaring. Zij bracht in praktijk, wat sinds de aanvaarding van de wet als mogelijk scenario opgesloten lag in deze onevenwichtige wettelijke regeling.

Waarom is die wet onevenwichtig? Dat heeft alles te maken met de wilsverklaring. Alle in de praktijk gegroeide ethische normen inzake zorgvuldige euthanasie stoelen namelijk op communicatie en een wederkerige relatie tussen arts en patiënt. Met de wettelijke vastlegging van die normen had de wetgever in 2002 kunnen volstaan, maar toenmalig D66 minister Els Borst wilde ook de mogelijkheid creëren om euthanasie mogelijk te maken op basis van een schriftelijke wilsverklaring. Zo’n wilsverklaring geldt echter pas als zinvolle communicatie niet meer mogelijk is en daar ligt meteen de spanning met de op communicatie en wederkerigheid stoelende normen voor euthanasie. De wilsverklaring is daarmee van meet af aan een weeffout in de verder uiterst zorgvuldig ontwikkelde normen voor verantwoorde euthanasie. Want wat laat je nu prevaleren? De wilsverklaring of de waarden van communicatie en wederkerigheid? De wet biedt artsen onvoldoende kader en gezien deze onduidelijkheid was het slechts wachten tot een arts voorrang zou geven aan het volgen van een euthanasieverklaring.

Dat is nu gebeurd. Zelfs als de betrokken patiënte tijdens de uitvoering van de levensbeëindiging zou hebben gezegd: ‘ik wil niet dood’, had de arts haar toch gedood. Want, zo verduidelijkt zij in het verslag van de toetsingscommissie euthanasie, omdat patiënte wilsonbekwaam was waren haar verbale uitingen niet meer relevant.

Hoewel artsen deze handelwijze in meerderheid ‘een brug te ver’ vinden, is er veel emotionele betrokkenheid bij het lot van deze collega-arts: na een tuchtrechtelijke procedure wordt zij ook nog onderworpen aan een strafrechtproces. Dat gun je niemand, zo geven artsen desgevraagd aan.

Maar daar staat wel tegenover dat de gedragslijn van de arts in kwestie ingrijpende consequenties kan hebben voor het lot van (het toenemend aantal) mensen met gevorderde dementie en een euthanasieverklaring. En dat de druk op artsen om gevolg te geven aan een dergelijke wilsverklaring aanzienlijk zal kunnen toenemen, als de rechter over de handelwijze van deze arts een positief oordeel velt. Zo krijgt deze casus mogelijk een uitstralingseffect vergelijkbaar met ‘thirteen reasons why’.

Daarom geef ik hier ‘thirteen reasons why NOT’, dat wil zeggen: dertien overwegingen bedoeld om deze casus en de handelwijze van deze arts in een breder perspectief van goede zorg te plaatsen. Dat mis ik in de huidige gepolariseerde discussie, terwijl we dat bredere perspectief wel nodig hebben: ter reflectie, ter bezinning en ter preventie.

Thirteen reasons why NOT

  1. Een euthanasiewilsverklaring draagt het risico in zich van kokerdenken: de arts in kwestie heeft zich in de korte periode tussen opname en uitvoering (slechts 7 weken) van de levensbeëindiging uitvoerig toegelegd op het observeren van gedrag, om te beoordelen of dit kon worden geduid als ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Zij heeft geen (multidisciplinaire) interventies beproefd gericht op behandeling van het gedrag en verlichting van de daarmee verbonden lijdensdruk. Had dat niet een voorafgaande stap in het hele proces moeten zijn?
  2. De arts heeft externe consultaties gevraagd ter beoordeling van het euthanasieverzoek. Niet is gebleken dat zij externe consultatie heeft gevraagd met het oog op behandeling van het probleemgedrag van patiënte en de daarmee verbonden lijdensdruk.
  3. Uit de beschrijving van het gedrag van patiënte komt duidelijk naar voren dat hier sprake was van probleemgedrag dat passend is bij dementie – en dat in die zin niet uniek is. Professionele richtlijnen inzake probleemgedrag benadrukken het belang van een methodische benadering en multidisciplinaire aanpak van dit gedrag. Van zo’n insteek is in de onderhavige situatie niets gebleken.
  4. De arts was namelijk op grond van haar langjarige ervaring stellig van mening dat psychosociale en medicamenteuze interventies bij deze patiënt ineffectief zouden zijn. Echter: te sterk vertrouwen op eigen ervaring – zo weten we uit onderzoek – kan een valkuil zijn en in de weg staan aan een objectieve en evenwichtige oordeelsvorming, zeker in extreme situaties als deze.
  5. De arts was van oordeel dat patiënte wilsonbekwaam was en dat haar wilsuitingen derhalve niet meer relevant waren: zelfs als zij had aangegeven niet dood te willen, zou de arts de levensbeëindiging hebben doorgezet. Hoe is dit negeren van wilsuitingen te verenigen met het kernprincipe van persoonsgerichte zorg (de standaard in de dementiezorg), om mensen met dementie in alle stadia van de aandoening steeds als persoon te blijven zien en benaderen?
  6. Een wilsonbekwame patiënt verliest niet het recht op informatie en consultatie, zo leren de WGBO en mensenrechtenverdragen. Een arts dient ook de wilsonbekwame patiënt steeds naar vermogen te betrekken en diens wilsuitingen zorgvuldig te wegen.
  7. ‘Ondraaglijk lijden’ is in de euthanasiewet een waardenoordeel van de patiënt over zijn lijden. De arts kan pijn meten en observeren, maar het oordeel dat pijn ondraaglijk is – en dat beproefde of aangeboden alternatieven ter verlichting geen perspectief meer bieden – komt primair toe aan de patiënt. En wat voor de ene patiënt ondraaglijk lijden is, is dat voor een andere niet. Daarom: om duidelijk te krijgen of lijden voor een patiënt ondraaglijk is, kan niet volstaan worden met observatie van gedrag of met het interpreteren van wilsverklaringen, maar is communicatie tussen arts en patiënt noodzakelijk.
  8. Communicatie is ook essentieel om te kunnen voldoen aan de vierde zorgvuldigheidsvoorwaarde inzake zorgvuldige euthanasie: ‘de arts moet samen met de patiënt tot de overtuiging zijn gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geen redelijke andere oplossing is’. Hoe kun je iemand doden als deze gezamenlijke overtuiging ontbreekt?
  9. Patiënte kreeg tijdens het ‘in een gezellige sfeer’ samenzijn voorafgaand aan de euthanasie dormicum in haar koffie, teneinde verzet te vermijden bij de uitvoering van de levensbeëindigende handeling. In termen van de Wet Bopz en de nieuwe wet Zorg en Dwang is dat een vorm van dwang die extra rechtvaardiging behoeft, omdat kwetsbare wilsonbekwame patiënten hun wil soms alleen nog maar via verzet kunnen kenbaar maken.
  10. Bij de uitvoering van de dodende handeling weerde patiënte af en moest zij door haar familie worden vastgehouden om de levensbeëindiging uit te kunnen voeren. De arts besloot op dat moment om af te maken wat zij begonnen was ‘en wilde nu geen koudwatervrees krijgen.’ Maar is het acceptabel om bij – zelfs maar de schijn van – verzet levensbeëindiging uit te voeren?
  11. Patiënte wilde euthanasie indien zij moest worden opgenomen in een verpleeghuis. Kan dit voor artsen eigenlijk wel een valide wilsverklaring zijn? Is het acceptabel om het aangewezen zijn op een bepaald type zorg – langdurige zorg in een voorziening die wij alle ouderen in ons land willen kunnen bieden als de nood aan de man is – te aanvaarden als een grond voor levensbeëindiging?
  12. Door te besluiten tot verpleeghuisopname van patiënte werden haar naaste familieleden medeverantwoordelijk voor het actueel worden van de euthanasieverklaring. Een extra morele belasting, naast de schuldgevoelens waarmee zo’n opnamebeslissing toch al gepaard gaat. Hoe beïnvloedde dit hun oordeelsvermogen? Resulteerde dit niet in extra druk op hen om aan te dringen op euthanasie?
  13. De term euthanasie is afgeleid van het Griekse eu thanatos: een goede dood. De ultieme vraag die deze casus, en de uitvoeringsdetails die daarover tot ons zijn gekomen, oproept luidt: is dit een goede of waardige dood geweest? Is dit een scenario van levensbeëindiging waar de wet voor bedoeld is? En is het moreel acceptabel om van artsen te verlangen daaraan mee te werken?

Er zal in de komende tijd nog veel discussie zijn over deze casus en na de uitspraak van de rechtbank komt er waarschijnlijk ook een hoger beroep. Dat juridische proces kan bijdragen aan verduidelijking van normen, maar overziet en betreft niet de volle breedte van het afwegings- en besluitvormingsproces van artsen. Daarvoor hebben we professionele normen en een helder medisch ethisch kader nodig. In de vormgeving daarvan moet de beroepsgroep zelf de lead nemen, om schrijnende situaties als deze in de toekomst te voorkomen. Dat is de doelstelling van ons dementieonderzoek: DALT. Hierin ontwikkelen we op basis van empirisch onderzoek, gecombineerd met ethische en rechtsfilosofische analyses, een normatief houvast voor artsen bedoeld om te ondersteunen in het zorgvuldig omgaan met schriftelijke euthanasieverklaringen van mensen met dementie. En daar nemen we de bovengeschetste ‘thirteen reasons why NOT’ als overwegingen in mee.

 

Cees Hertogh

Helaas gaat de regiotour vanwege een te laag aantal inschrijvingen niet door. Benieuwd naar verbinding praktijk en wetenschap in de ouderen- en gehandicaptenzorg?  Kom dan op 2 december naar de regiotour in Tilburg en/of meld je alvast aan voor het landelijk congres op 10 februari in Nieuwegein.

 

(oorspronkelijk bericht)

Een mooie samenwerking tussen Vilans en UNO-VUmc! Kom op donderdagmiddag 7 november ontdekken hoe je praktijk en wetenschap in de langdurige zorg dichter bij elkaar brengt. Waarom? Omdat je niet voor niets hart hebt voor de zorg die jij biedt. En er is altijd ruimte voor verbetering.

Tijdens de diverse workshops en presentaties krijg je een kijkje in hoe onderzoek en praktijk met elkaar zijn verbonden en wat we van elkaar kunnen leren:

  • Krijg inzicht in hoe je systematisch met onbegrepen gedrag kunt omgaan met de GRIP methode
  • Leer hoe Advance Care Planning precies werkt
  • Hoor hoe onderzoek kan bijdragen aan antibioticaresistentie en wat dat precies betekent
  • Ontdek hoe je een kennisbijeenkomst in je eigen organisatie tot een succes kunt maken
  • en nog veel meer….

Informatie

  • Donderdag 7 november 2019
  • 12.00 – 16.15 (inloop vanaf 12 uur met broodje)
  • CODA, Vosselmanstraat 299, Apeldoorn
  • Gratis, ook voor niet UNO-leden

Het Zoek het Uit congres is bedoeld voor zorgprofessionals, onderzoekers, docenten en andere betrokkenen bij en geïnteresseerd in de kennisinfrastructuur voor ouderen- en gehandicaptenzorg. Accreditatie is aangevraagd bij de V&VN.

Meer weten over kennis delen?

Inschrijven is niet meer mogelijk.

 

 

Van de redactie van TvO:

De patiënt die zich ‘volgens het boekje’ gedraagt, die kennen we niet in de ouderengeneeskunde. Een unieke combinatie van comorbiditeiten, gedragingen en sociale omgeving maakt dat iedere casus vraagt om maatwerk en creativiteit. Afwijken van richtlijnen is in ons vak zo gewoon, dat ook specialisten ouderengeneeskunde meestal niet ‘volgens het boekje’ werken.”

Dit en nog veel meer kun je lezen in de augustus uitgave van het Tijdschrift voor Ouderengeneeskunde.

Zoals gewoonlijk draagt ook een van de netwerken van de Samenwerkende Academische Netwerken Ouderenzorg (SANO) weer haar steentje bij. Dit keer is dat het UNO-VUmc en gaat het artikel over het factsheet dat wij ontwikkelden over initiatieven rondom antibioticaresistentie in de langdurige zorg.

Want zien we met elkaar door de bomen het bos nog wel? En waarom zo veel initiatieven? Lees hier het volledige artikel in het online tijdschrift TvO, editie augustus of klik hier voor het volledige factsheet.

 

 

We hopen natuurlijk dat ons jaarlijks UNO-symposium al in je agenda staat: want donderdag 12 december is het weer zover!

Dit jaar is het thema ‘zorgtechnologie’. Zeer binnenkort maken we het programma bekend. Maar tot die tijd zijn we nog volop bezig het programma rond te maken.

Zo nodigen we jou graag uit om tijdens de zorgtechnologiemarkt op het symposium een technologie in de zorg te presenteren waarvan jij vindt dat andere zorgprofessionals daar ook van zouden moeten weten. Bijvoorbeeld omdat het zoveel positief verschil maakt voor jouw bewoners. Of omdat de technologie een enorme efficiency stap bleek te zijn. Geef je op en vertel tijdens het symposium waarom deze technologie zo goed voor jullie werkt. Met de bezoekers van ons symposium kun je vragen en ervaringen uitwisselen. Een waardevolle bijdrage aan de zorg van vandaag!

Gebruik jij of je collega een technologie in de zorg voor onze kwetsbare ouderen waar anderen ook van zouden moeten weten? Meld je dan aan voor de zorgtechnologie markt via uno@vumc.nl onder vermelding van ‘zorgtechnologie markt’. Geef hierbij graag aan om welke zorgtechnologie het gaat en wat het doel van de technologie is. Wij nemen vervolgens contact met je op om de details te bespreken.

 

Het UNO-Symposium, inclusief de zorgtechnologiemarkt, is exclusief voor alle zorgprofessionals die met hun organisatie lid zijn van het UNO-VUmc.

 

Interview met Cees Hertogh, door Dieuwke de Boer van ZonMw.

Zes academische werkplaatsen ouderenzorg krijgen structurele financiering om onderzoek uit te voeren, samen met de zorgpraktijk en het onderwijs. Het UNO-VUmc is het universitair netwerk ouderenzorg van Amsterdam UMC (locatie VUmc). In dit netwerk werken onderzoekers en zorgprofessionals van 24 aangesloten organisaties aan het verbinden van wetenschappelijke kennis met de dagelijkse zorgpraktijk.

Het UNO-VUmc richt zich op drie thema’s: goede zorg voor mensen met hersenaandoeningen (zoals dementie en andere neurologische of cardiovasculaire aandoeningen), goede zorg voor revalidanten en goede organisatie van zorg. ‘Rond deze drie thema’s hebben we themagroepen opgezet. Hierin zitten afgevaardigden van de bij ons aangesloten zorgorganisaties, die van één van deze thema’s een speerpunt maakten of willen maken’, vertelt prof. dr. Cees Hertogh, hoofd van het UNO-VUmc en hoogleraar ouderengeneeskunde en ethiek van zorg. ‘De themagroepen werken samen aan onderzoeksprojecten, wisselen good practices uit en denken na over kennisvragen die op de werkvloer leven. Ze krijgen daarbij ondersteuning van een wetenschappelijk coördinator van het UNO-VUmc.’

Ontwikkelpraktijk

‘In onze werkplaats maken we onderscheid tussen leden die ‘volgen’ en leden die zich bewust profileren als een ontwikkelpraktijk’, vertelt Cees. ‘Een ontwikkelpraktijk is een cluster van twee of meer zorgorganisaties die met elkaar samenwerken op de onderzoeksthema’s die wij gezamenlijk hebben benoemd. Vanuit de universiteit is een onderzoeker als linking pin verbonden aan de ontwikkelpraktijk. De zorgorganisaties benoemen een science practitioner die promotieonderzoek doet aan de universiteit en die kennis en expertise weer meeneemt naar de zorgpraktijk. Op die manier krijgt de academisering van de zorgpraktijk langzaam maar zeker meer vorm.’

In dialoog

De onderzoeksthema’s van de werkplaats zijn bewust breed geformuleerd, zodat er flexibel kan worden ingespeeld op de ideeën voor onderzoek die vanuit de praktijk ontstaan. ‘Een misvatting over de academische werkplaats is dat kennisvragen spontaan opbloeien op de werkvloer. Ze komen juist vaak pas naar voren in gesprekken die we met elkaar voeren over wat er speelt in de praktijk en welke thema’s belangrijk zijn voor de wetenschap. Ook kunnen kennisvragen voortkomen uit nieuw beleid dat vanuit de overheid wordt opgelegd’, zegt Cees. Een voorbeeld is het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg, waarin eigen regie van de cliënt centraal staat. ‘Het ondersteunen en versterken van eigen regie van kwetsbare ouderen vraagt om een persoonsgerichte aanpak. Maar hoe doe je dat? Een indicatie voor langdurige zorg betekent namelijk per definitie dat iemand de eigen regie kwijt is, omdat hij of zij continu toezicht en ondersteuning nodig heeft’, legt Cees uit. ‘Door wetenschappelijk onderzoek te doen, willen wij de dagelijkse zorgpraktijk helpen om op een goede manier met dit vraagstuk om te gaan. Andersom willen we dat de wetenschap zich voedt met good practices uit de praktijk.’

Lees hier het volledige artikel.

We staan aan de vooravond van twee maatschappelijke uitdagingen: de toename van het aantal ouderen en gelijktijdig de afname van het aantal jongere mensen die de zorg voor deze ouderen kunnen realiseren. Het gevolg van deze ontwikkelingen is een zorgkloof; kunnen we al deze ouderen van de nodige zorg voorzien? Van een goede kwaliteit? En tegen een betaalbare prijs?

Het thema van het jaarlijkse UNO-VUmc symposium is dit jaar:zorgtechnologie: dé oplossing voor de naderende zorgkloof?!’

Zorgtechnologie wordt vaak genoemd als een mogelijke oplossing voor dit probleem. Is dit inderdaad zo? En welke soort technologie biedt dan een oplossing voor welk probleem? Hoe zorgen we ervoor dat die technologie ook écht goed aansluit bij de praktijk?
Op deze en andere vragen zoeken we een antwoord tijdens het jaarlijkse UNO-symposium!

 

De definitieve uitnodiging en het programma volgen later, maar zorg ervoor dat je de datum alvast vrijhoudt in je agenda!

 

Wanneer?
Donderdag 12 december 2019, van 9.30-17.00 uur

Waar?
Amsterdam (Amsterdam UMC, locatie VU medisch centrum, Amstelzaal)

Kosten?
Gratis voor medewerkers van zorgorganisaties die deelnemen aan het UNO-VUmc

Wie?
Verpleegkundigen, verzorgenden, behandelaren en hun leidinggevenden, uit zorgorganisaties die deelnemen aan het UNO-VUmc.

We weten uit ervaring dat medewerkers in de zorg heel vaak met goede ideeën rondlopen. Soms zijn dit heel eenvoudige aanpassingen in een werkproces, soms betreft het een nieuwe werkwijze. Beide zouden ze in de praktijk kunnen leiden tot verbetering van de zorg. En daarover gaat deze oproep: heb jij een idee dat voor een verbetering in de zorg kan zorgen, of wil jij onderzoeken of jouw idee in de praktijk ook écht voordeel oplevert? Meld je dan aan voor de UNO Onderzoek & Praktijkprijs. Een prijs bestaande uit een geldbedrag (van in totaal maximaal €15.000,-) om het onderzoek uit te kunnen voeren én begeleiding van ervaren UNO-VUmc onderzoekers bij de opzet en uitvoering van een kleinschalig praktijkgericht onderzoek. De afgelopen ronde zijn er 2 onderzoeken op het thema ‘Geriatrische Revalidatiezorg (GRZ)’ uitgereikt – GRZ projecten zijn daarom deze ronde uitgesloten van deelname.  

Inschrijving voor de UNO Onderzoek & Praktijkprijs is alleen voor UNO-leden, is nu geopend en sluit 1 oktober 2019.
Meer informatie over de prijs en het aanmeldformulier vind je hier.

De uitreiking van de prijs vindt plaats tijdens het jaarlijkse symposium op 12 december dit jaar. Save the date!

 

Tijdens het bestuurdersoverleg van UNO-VUmc op 7 januari j.l. is er besloten een bijeenkomst te organiseren waarin de bestuurders van onze leden en medewerkers van UNO-VUmc met elkaar van gedachten kunnen wisselen over onderzoeksthema’s. Waar er volop ruimte is om met elkaar te praten over onderwerpen die voor onze leden van belang zijn en waarover kennis ontbreekt of waar onderzoeken nu juist goed bij passen.

Op donderdag 11 juli vindt de Invitational Conference ‘Onderzoeksthema UNO-VUmc’ plaats.

Locatie:    
Medische Faculteit van Amsterdam UMC, locatie VUmc, Ruimte A611
De Boelelaan 7, 1081 BT Amsterdam

Van 16:00 tot 18:30 uur.

Uitnodigingen zijn reeds verstuurd. Gemist? Neem dan aub contact op met uno@vumc.nl

 

Het is herkenbaar in de ouderenzorg: veel organisaties volgen de ontwikkelingen op het gebied van nieuwe technologieën, waaronder eHealth, en doen interessante ervaringen op. In de zorg worstelen we vaak met de vraag: wat werkt nu echt en wat hebben we eigenlijk nodig? Vaak blijft de ervaring binnen de organisatie, of deze nu positief of negatief is.

En goede bedoelingen van ontwikkelaars ten spijt, niet alle technologische toepassingen dienen daadwerkelijk de zorg of de patiënt. Vanuit het Universitair Netwerk voor de Care sector Zuid-Holland (UNC-ZH) als een van de academische netwerken ouderenzorg (SANO) hebben we een breder doel voor ogen: hoe krijgen we deze kennis ontwikkeld en verspreid om zo de zorg voor oudere patiënten in het algemeen te verbeteren?  Lees verder.

Werk jij al met Grip op probleemgedrag? Dan heb je zelf al ondervonden dat het voor zowel de bewoners en jouw collega’s veel rust en structuur kan geven. En toch gebeurt het wel eens dat je de methodiek GRIP vergeet. Omdat het zo druk is, of omdat het gewoon is weggezakt. En dat is jammer. Want voordat je het weet groeit klein probleemgedrag naar iets groots.

Om die reden heeft het UNO-VUmc de poster ‘Vermijd dat klein probleemgedrag groot wordt’ ontworpen. Speciaal voor jou en je collega’s.

Poster A3 werk met GRIP

Het universitair netwerk ouderenzorg locatie VUmc (UNO-VUmc) is een samenwerkingsverband van 24 zorgorganisaties en de afdeling huisartsgeneeskunde & ouderengeneeskunde van Amsterdam UMC. Gezamenlijk organiseren we scholing en doen we onderzoek. Het doel van het netwerk is te bouwen aan meer kennis over de beste zorg voor kwetsbare ouderen.

Door een snelle groei van het team, en daarmee ook van het aantal onderzoekers op de afdeling, zoeken we naar versterking van ons secretariaat. De sfeer op onze afdeling laat zich kenmerken door enthousiast, collegiaal en vriendelijk. Wij vinden het belangrijk dat er hard gewerkt wordt, maar dat er tegelijkertijd oog is voor elkaar. Als je graag in een veranderende omgeving werkt waarin er veel waarde wordt gehecht aan ‘samen’ dan ben je hier op je plek.

Wij zoeken een sociaal en organisatorisch sterk talent dat in een snel veranderende omgeving ons secretariaat komt versterken.

Wat ga je doen

Als secretaresse van het UNO-VUmc werk je nauw samen met de senior secretaresse. Je ondersteunt de medewerkers van het UNO-team op secretarieel en organisatorisch gebied en regelt administratieve zaken voor onderzoekers van de afdeling huisartsgeneeskunde & ouderengeneeskunde.

Je voornaamste werkzaamheden in deze spilfunctie zijn:

  • organiseren van vergaderingen, overleggen en diverse nascholingen en symposia;
  • notuleren bij vergaderingen, onze stuurgroepen en netwerkbijeenkomsten en het bewaken van opgestelde actiepunten;
  • agendabeheer, het inplannen van afspraken en behandelen van telefoon- en mailverkeer;
  • verzorgen van de communicatie in alle vormen: denk aan uitnodigingen voor bijvoorbeeld symposia en onze nieuwsbrief;
  • ondersteunen van onderzoekers bij administratieve werkzaamheden (bijvoorbeeld reserveren van ruimtes & catering, overige bestellingen doen);
  • ontvangen van nieuwe medewerkers op hun eerste werkdag.

Omdat het UNO-team nog wordt uitgebreid met nieuwe functies, kan het takenpakket wellicht nog aangepast worden.

Wat we van je verwachten

Onze ideale collega brengt in ieder het volgende met zich mee:

  • HBO werk- en denkniveau, aangevuld met een secretaresse opleiding;
  • minimaal 3 jaar relevante werkervaring; ervaring binnen de (ouderen)zorg is een pré;
  • uitstekende beheersing van de Nederlandse taal, zowel in woord als geschrift;
  • ruime ervaring in het werken met Word, Excel en Outlook.

Je hebt goede communicatieve en sociale vaardigheden en staat graag in contact met een grote groep mensen van verschillende niveaus. Zelfstandig aan de slag gaan is voor jou geen probleem, maar je vindt het wel prettig om onderdeel te zijn van een team. Je bent klantgericht en organisatorisch zeer sterk, je vindt het prettig om alle zaken voor andere op orde te hebben. Ben jij creatief, flexibel en voel jij je als een vis in het water in een afwisselende functie met wisselingen in de werkdruk? Wij komen graag met je in contact!

Wat we je bieden

Salarisschaal SAL.6: 2014 tot 2815 euro bruto bij een fulltime dienstverband (afhankelijk van opleiding en ervaring).

  • Naast een goed basissalaris bieden we onder andere 8,3% eindejaarsuitkering en 8% vakantietoeslag. Wil jij weten wat je gaat verdienen? Bereken dan hier jouw netto salaris (onder voorbehoud).
  • Je pensioen wordt opgebouwd bij het ABP. VUmc draagt 2/3e deel van deze premie bij.
  • Wij vergoeden 75% van je OV reiskosten.
  • In eerste instantie bieden wij jou een jaarcontract, met uitzicht op een vast dienstverband.

Lees hier de uitgebreide vacature.

Pijn bij mensen met dementie heeft de afgelopen jaren steeds meer aandacht gekregen. Het wordt zelfs een groot probleem genoemd. De helft van de mensen met dementie zou pijn hebben en de aanwezigheid van pijn is in verband gebracht met een verminderde de kwaliteit van leven bij mensen met dementie.
Pijn bij dementie wordt toegeschreven aan zowel de ouderdom als de dementie zelf. Dit betekent dat hoe pijn wordt ervaren en het voorkomen van pijn kan veranderen als er sprake is van dementie.

Er zijn bovendien aanwijzingen dat de soort dementie ook van invloed is op dit proces; mensen met vasculaire dementie zouden anders en vaker pijn ervaren dan mensen met Alzheimer dementie. Er is echter nog niet veel onderzoek naar gedaan. Inzicht in het voorkomen van pijn bij verschillende vormen van dementie zou kunnen bijdragen aan het optimaliseren van de behandeling van pijn bij mensen met dementie.

Promotie

Op woensdag 29 mei promoveerde Janine van Kooten in de Aula van de VU op haar onderzoek naar pijn met mensen met dementie. En wat was het een mooie promotie. Daarmee is Janine van Kooten de 2e Aioto ouderengeneeskunde die is gepromoveerd in Nederland!

Met haar proefschrift Pijn bij mensen met dementie heeft Janine een zeer actueel onderwerp belicht. Afgelopen woensdag ging de discussie onder meer over of terugkoppeling over pijn aan de arts voldoende is voor verbetering. Of is er toch meer nodig om de behandeling van pijn te verbeteren? En kan het dat mensen met ernstige dementie vaker pijn hebben? En is er verschil tussen pijn en pijnbeleving bij mensen met vasculaire dementie? Hoe zit het bij Fronto-temporale dementie (FTD)? En maakt het type FTD uit voor de pijnbeleving? In de kliniek blijkt dat zeker uit te maken. Ook werd er gesproken over het feit dat mensen met ernstige dementie vaker pijn hebben en waar dat door zou kunnen komen?

En waarom hebben mensen met vasculaire dementie meer pijnbeleving?  Is er echt een verschil tussen pijn en pijnbeleving bij mensen met vasculaire dementie? Is het gevonden verschil in pijn in de voor en nameting eigenlijk wel klinisch relevant? En welke aanbeveling voor de dokters was het belangrijkste in het verminderen van pijn?

Janine combineerde haar opleiding tot specialist ouderengeneeskunde met het uitvoeren van promotieonderzoek (AIOTO-functie) bij de afdeling huisartsgeneeskunde & ouderengeneeskunde van VUmc. Inmiddels is zij specialist ouderengeneeskunde bij Vivium Zorggroep.

Meer weten over PainDemiA?   Of de Nederlandse samenvatting lezen?

 

 

Elk jaar stelt UNO-VUmc de UNO Onderzoek & Praktijkprijs beschikbaar: een geldbedrag (in totaal €15.000,-) en begeleiding bij de opzet en uitvoering van een onderzoek. UNO-leden worden uitgenodigd een idee in te sturen dat vervolgens op haalbaarheid en relevantie wordt beoordeeld.

Wij zijn verheugd de winnaars van deze ‘voorjaars-editie’ bekend te mogen maken.

AxionContinu wint een geldbedrag voor het praktijkgerichte onderzoek Verbetering revalidatie van COPD patiënten. Een prachtig initiatief waarbij het doel is wetenschappelijke onderbouwing te vinden voor een succesvolle maar afwijkende behandeling van COPD patiënten.

COPD (chronische bronchitis en/of emfyseem) staat in de top tien van ziekten met de grootste ziektelast in de Nederland. Naast verminderde conditie en spierkracht is verminderde spiermassa één van de veelvoorkomende problemen bij COPD revalidanten. AxionContinu werkt met een fysiotherapeutische training van COPD revalidanten met een verminderde spiermassa gericht op NLPE (non lineair periodized exercise) krachttraining gecombineerd met het achterwege laten van functioneel lopen en duurtraining. De fysiotherapeuten van AxionContinu merken dat na een opname periode van 10 tot 15 weken, waarbij 3 keer per week getraind wordt volgens deze uitgangspunten de spiermassa van de COPD revalidant sterk verbeterd is. Een verbetering van spiermassa helpt de revalidant om alledaagse activiteiten, zoals aankleden, wassen en lopen beter uit te voeren, waarbij zij ook minder snel kortademig zijn. Een beschrijving van deze werkwijze en de daadwerkelijke meerwaarde ervan worden onderzocht.

 

Beweging 3.0 en Vivium Naarderheem winnen een geldbedrag voor hun onderzoek naar Geriatrische revalidatie bij Parkinson. Hierbij stellen zij zichzelf als doel te komen tot een set aanbevelingen om het algemene revalidatieproces en het zorgpad Parkinson beter te laten aansluiten bij de wensen en behoeften van patiënt en mantelzorger:

Revalidanten met Parkinson en parkinsonisme ervaren een diversiteit aan beperkingen en mogelijke revalidatiedoelen. Ondanks de gestructureerde aanpak en de teamexpertise aanwezig in deze twee organisaties, zijn patiënten en mantelzorgers niet altijd tevreden met het revalidatietraject. Er zijn gesprekken gevoerd met revalidanten en mantelzorgers, waarbij zeer waardevolle informatie is opgehaald over ervaringen in het Parkinson revalidatieproces die hebben geleid tot aanpassing van de standaard werkwijze in dit betreffende zorgpad. Beweging 3.0 en Vivium Naarderheem gaan nu op systematische wijze ervaringen en behoeften van patiënten en mantelzorgers onderzoeken m.b.t. het Parkinsonrevalidatie proces.

 

Wij feliciteren AxionContinu, Beweging 3.0 en Vivium Naarderheem van harte en wensen hen veel succes met het uitvoeren van het onderzoek.

(vlnr: Marieke Geerars, Judith Ballemans, Jeannine Jaski, Eskeline Elbertse, Aafke de Groot)

 

Lees het artikel ‘Pressure in dealing with requests for euthanasia or assisted suicide. Experiences of general practitioners’.

Geschreven door Marike de Boer, Marja Depla, Marjolein de Breejen, Pauline Slottje, Bregje Onwuteaka-Philipsen en Cees Hertogh.

 

Het initiatief voor dit onderzoek kwam van het Academisch Netwerk Huisartsgeneeskunde van Amsterdam UMC, locatie VUmc (ANH VUmc).

Geïnteresseerd in het volledige artikel? Stuur een mail aan Marike de Boer, onderzoeker bij UNO-VUmc via m.deboer@vumc.nl

 

Onderzoeksresultaten zijn mooi.

Maar hoe bereiken deze de mensen in de praktijk zodat professionals er ook mee kunnen werken?

De afgelopen jaren is in het SANO-netwerk ervaring opgedaan met vele creatieve methoden en middelen om kennis naar de praktijk te brengen: E-learningprogramma’s, factsheets, toolboxen en implementatiewijzers… Maar wat werkt nu en wat werkt niet? En welke ideeën zijn er voor de toekomst?

Dit en meer komt tijdens de SANO Wetenschapsdag op 6 juni aan bod. Dit jaar vindt de SANO Wetenschapsdag plaats in Radboudumc te Nijmegen.

Inschrijven is vanaf nu mogelijk!

Eerst het programma bekijken? Je vindt het hier.

De SANO Wetenschapsdag is een jaarlijks symposium van de Samenwerkende Academische Netwerken Ouderenzorg (SANO). De zes academische netwerken ouderenzorg in Nederland vormen een belangrijke brug tussen wetenschappelijk onderzoek en de zorgpraktijk: onderzoekers werken samen met professionals uit de ouderenzorg aan (zorg)innovaties en nieuwe kennis.

Conclusie CARE4STROKE onderzoek

Uit onderzoek blijkt dat meer oefentherapie leidt tot een beter herstel na een beroerte. Voor het CARE4STROKE onderzoek is een speciaal programma ontwikkeld waarbij de revalidant meer zelf kan oefenen (naast de standaard therapie) door het betrekken van een naaste (bv. partner, broer, zus of kinderen). Daarbij werd onderzocht of deze manier van oefenen kan leiden tot een vervroegd ontslag naar huis, tot beter herstel van de patiënt en tot verminderde ervaren belasting voor de naaste.

 

Achtergrond

Het CARE4STROKE programma is bij Reade tot stand gekomen in samenwerking met de afdeling Revalidatiegeneeskunde van het VU Medisch Centrum en het UNO-VUmc. Patiënten oefenden in dit programma, naast de normale therapie, extra met een partner, familielid of vriend. Via een oefeningen-app kregen patiënt en naaste te zien hoe ze de oefeningen samen konden uitvoeren.

Het CARE4STROKE programma werd in twee revalidatiecentra en zeven verpleeghuizen onderzocht op effectiviteit en kosten. Het programma zorgde in acht weken voor meer dan 19 uur extra oefentijd, zonder de zorgkosten te verhogen.

 

Conclusie

Deelname aan het CARE4STROKE programma leverde op mobiliteit van de patiënt geen meerwaarde op. Wél waren patiënten significant minder angstig en naasten minder somber wanneer ze meededen aan het programma. Patiënten en naasten vonden dat samen oefenen een goede voorbereiding was op weer thuis zijn. Ze wisten beiden beter wat men wel en wat men niet aankon.

 

De dataverzameling is afgerond en inmiddels is het artikel dat hierover is geschreven gepubliceerd.

Lees meer over de beginselen van dit onderzoek op onze onderzoekspagina.

 

Onder artsen bestaat terughoudendheid over euthanasie bij wilsonbekwame patiënten met dementie, op basis van een schriftelijke euthanasieverklaring. Onder andere omdat gevorderde dementie de mogelijkheid tot betekenisvolle communicatie en gezamenlijke besluitvorming beperkt. Terwijl artsen dit juist als noodzakelijk ervaren.
Er is daarom een groeiende behoefte aan houvast in hoe om te gaan met dit dilemma.

Het UNO-VUmc is onlangs gestart met het DALT-project met als doel tot een praktische handreiking voor artsen te komen. In het Tijdschrift voor Ouderengeneeskunde van Verenso leest u het uitgebreide artikel

Euthanasie bij gevorderde dementie: het DALT-project.

 

Geïnteresseerd in ons onderzoek? Schrijf u dan in voor de DALT-nieuwsbrief

Met een flinke uitbreiding van het UNO-team staan we aan de vooravond van nieuwe onderzoeken en initiatieven. Onze vier nieuwe collega’s (in de functie van onderzoeker) gaan samen met zorgverleners uit onze aangesloten organisaties onderzoek ontwikkelen én zorgverleners ondersteunen die zelf promotieonderzoek gaan uitvoeren. Maak in deze Update alvast een beetje kennis met ze. Daarnaast zijn we nu officieel de eerste ontwikkelpraktijk gestart. Ook een ontwikkeling waar we heel verheugd over zijn en waar we als netwerk veel aan zullen hebben. Tot slot voorzien we je graag van het waardevolle overzicht dat je inzicht geeft in alle kennis en beschikbaar materiaal op het gebied van antibioticaresistentie initiatieven binnen de langdurige zorg. Veel leesplezier. En bij vragen? Mail ons via uno@vucm.nl

 

Klik hier voor de meest recente nieuwsbrief.

 

Inleiding
Ouderen blijven langer thuis wonen, ook als ze steeds meer gezondheidsproblemen ervaren. Dat roept de vraag op hoelang ouderen zichzelf kunnen redden en (daarbij) grip op het leven kunnen houden. Afgelopen zomer verscheen vanuit de Gezondheidsraad het rapport: Zelfredzaamheid van ouderen. Zelfredzaamheid is een breed begrip en wordt in het rapport als volgt gedefinieerd: “Het vermogen om het fysieke, psychische en sociale welbevinden op peil te houden en de regie over het eigen leven te blijven voeren.” Tijdens het congres zal zelfredzaamheid vanuit verschillende invalshoeken belicht worden, met een nadruk op hoe we sámen zorg voor en ondersteuning van ouderen kunnen verbeteren en zelfredzaamheid kunnen vergroten.

De afgelopen drie jaar hebben het Amsterdam Center on Aging (ACA) en het programma Aging & Later Life (A&LL) (onderdeel van onderzoeksinstituut Amsterdam Public Health) samengewerkt binnen het ouderenonderzoek. Nu is het tijd voor een belangrijke vervolgstap: het opgaan van ACA in A&LL. Tijdens het congres staan we stil bij deze overgang.

Call voor abstracts: Codde en Van Beresteyn Gerontologieprijs
Tijdens het congres is er een postersessie waar ouderenonderzoekers hun onderzoeksresultaten presenteren aan een breed geïnteresseerd lekenpubliek. De onderzoeker met de beste poster krijgt de Codde en Van Beresteyn Gerontologieprijs uitgereikt. Een oproep voor het insturen van abstracts volgt nog.

Achtergrond plenaire sprekers

Nathalie van der Velde is hoofdonderzoeker gepersonaliseerde val- en fractuurpreventie (Amsterdam UMC) en programmaleider van Aging & Later Life.

Guy Widdershoven is hoogleraar ethiek en voorzitter van Amsterdam Center on Aging (Amsterdam UMC).

Patrick Bindels is hoogleraar huisartsgeneeskunde en was voorzitter van de Gezondheidsraadcommissie Zelfredzaamheid van ouderen (Erasmus MC).

Bianca Beersma is hoogleraar instituties en identiteit (Vrije Universiteit).

Bregje Onwuteaka-Philipsen is hoogleraar levenseindeonderzoek (Amsterdam UMC).

Cees Hertogh is hoogleraar ouderengeneeskunde en ethiek van de zorg (Amsterdam UMC), programmaleider van Aging & Later Life en hoofd UNO-VUmc.

Informatie parallelsessies

Age Friendly City
Dr. Yuliya Mysyuk en drs.
Johan Osté
Amsterdam neemt deel aan het wereldwijde netwerk Age Friendly Cities dat zich inzet voor een stad waar je prettig en gezond oud kan worden. Hoe kunnen ouderen gezond oud worden? Wat beïnvloedt hun welbevinden? Tijdens deze sessie zullen bevindingen van enkele studies worden gepresenteerd die tonen wat de rol is van de stedelijke omgeving op het welbevinden van ouderen. Daarna gaan we met elkaar in gesprek om beleidsprioriteiten voor Amsterdam te formuleren. Wat is er nodig om Amsterdam nog meer ‘Age Friendly’ te maken?

De oudere aan zet
Dr. Elena Bendien en drs. Barbara Groot

De workshop start met een pitch over de methodiek van participatief onderzoek (PAR) met ouderen, en een voorbeeld hiervan rondom ‘Voorzorg ter verlening van Zelfredzaamheid’. Daarna doorlopen we met de deelnemers een aantal cruciale stappen om samen met ouderen onderzoek vorm te geven. In de workshop wordt een link gelegd met de PARgids, een Nederlandstalige toolkit over participatief actieonderzoek met ouderen.

Kwaliteit van leven en samenredzaamheid
Prof. dr. Cees Hertogh en dr. Debby Gerritsen

Bronnen waaruit mensen kunnen putten om kwaliteit van leven te genereren veranderen met het ouder en kwetsbaar worden. Welke zijn die bronnen, welke veranderingen doen zich hierin voor en hoe kunnen ouderen met hun naasten en professionals samenwerken om een goede kwaliteit van leven te realiseren? Tijdens de workshop Kwaliteit van leven en samenredzaamheid zullen we deze vragen behandelen.

Zelfredzaamheid na SEH- of ziekenhuisopname
Dr. Mike Peters en prof. dr. Bianca Buurman

Het aantal ouderen dat zich op de SEH meldt, stijgt harder dan op basis van demografische gegevens verwacht kan worden en een groot deel van deze ouderen wordt opgenomen in het ziekenhuis. De SEH en het ziekenhuis zijn echter vaak nog onvoldoende ingericht op ouderen waardoor zij vaak negatieve consequenties zoals heropnames of functieverlies ervaren. Tijdens deze sessie worden verschillende interventies gepresenteerd met een focus op kwetsbaarheid en het behoud van zelfredzaamheid na SEH of ziekenhuisopname. Daarnaast gaan we graag met deelnemers in gesprek om verder na te denken over passende SEH- en ziekenhuiszorg voor ouderen.

Zelfredzaamheid bij slechthorendheid of visuele beperking
Dr. Ruth van Nispen en dr. Marieke Pronk
Beperkingen in het zien en/of horen nemen toe met de leeftijd en kunnen een behoorlijke bedreiging vormen voor het op peil houden van ons welbevinden en ons gevoel van regie over het leven. Deze workshop richt zich allereerst op de mogelijke impact van deze beperkingen op het welbevinden van ouderen. Daarnaast richt de workshop zich op een aantal oplossingen en interventies: hoe kunnen slimme oplossingen en hulpmiddelen ouderen helpen om deze impact minimaliseren, en het gevoel van regie te optimaliseren?

Bekijk hier het volledige programma.

Een zaal vol mensen luisterde op woensdag 10 april naar de zeer interessante presentaties van collega’s uit ons netwerk.
Met onderwerpen die varieerden van het effect van cafeïne op bepaald gedrag bij mensen met dementie, de ontwikkeling van een augmented reality app, leuker en effectiever revalideren met behulp van een gaming component tót onderzoek naar Huntingon of
cliënten perspectief in het kader van de nieuwe wet Zorg en Dwang… De presentaties van de onderzoeken waren actueel, vernieuwend, vooruitstrevend en relevant en nodigden uit tot veel vragen en boeiende discussies.
Onze hartelijke dank aan de presentatoren: Linda de Pooter, 3e jaars AIOS Ouderengeneeskunde bij Gerion. Judy Bakker, Ergotherapeut en junior onderzoeker bij Omring en GRZPLUS. Saskia Drijver, Fysiotherapeut en junior onderzoeker bij
Omring en GRZPLUS. Maaike Schumacher, AIOS Ouderengeneeskunde Gerion en Marike de Boer, onderzoeker bij UNO-VUmc.

De presentaties worden naar iedereen verstuurd die zich voor dit PPO hadden opgegeven.

 

Na de presentaties kon men in discussie verdieping zoeken over een van de gepresenteerde onderwerpen.

Leonoor van Dam van Isselt Specialist Ouderengeneeskunde bij UNO lid Solis promoveerde 4 april 2019 op haar onderzoek naar een Geriatrisch revalidatiezorgpad voor patiënten met ernstige COPD.

Oudere mensen met de chronische longziekte COPD hebben specifieke zorg en revalidatie nodig, dat ondervond specialist Ouderengeneeskunde Leonoor van Dam van Isselt tijdens haar werk met deze patiënten.

Voor haar promotieonderzoek onderzocht zij de haalbaarheid en effectiviteit van een specifiek behandelprogramma. Op basis van de onderzoeksresultaten zou het GRZ_COPD zorgpad beschikbaar moeten zijn voor alle patiënten binnen deze specifieke doelgroep en setting.

Lees op de website van UNO collega UNC-ZH de factsheet over het onderzoek.

Lees hier het proefschrift Geriatric Rehablitation for older patients with COPD.

Lees op de website van UNC-ZH het volledige bericht.

Wij zijn verheugd ons netwerk uit te kunnen breiden met zorgorganisatie Atlant uit de regio Apeldoorn en Beekbergen. Vorige maand hebben we kennismakingsgesprekken gevoerd en vanaf deze maand is Atlant lid van het UNO-VUmc. Atlant was voor ons geen vreemde: als onderdeel van afdeling huisartsengeneeskunde & ouderengeneeskunde werken we al samen in twee onderzoeksprojecten (op het gebied van Huntington (onderzoeker Marina Ekkel) en Korsakov (onderzoeker Ineke Gerridzen)). Wij denken met Atlant een enthousiaste organisatie te verwelkomen die een actieve rol kan gaan spelen binnen ons netwerk. In het bijzonder op het gebied van ons thema ‘hersenaandoeningen’: Atlant is een organisatie gespecialiseerd in ouderenzorg, dementie, ziekte van Huntington, syndroom van Korsakov en Chronische Psychiatrische Verpleeghuiszorg. Van harte welkom!

 

Deze week verscheen in Medisch Contact een nieuwsbericht over de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) omtrent de arts die euthanasie uitvoerde bij een vrouw met gevorderde dementie. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) berispte deze arts al eerder, en het OM besloot de arts strafrechtelijk te vervolgen. Het oordeel van het CTG, welke afgelopen dinsdag naar buiten kwam, luidt dat de arts maar beperkt verwijtbaar heeft gehandeld. Hierop is door het CTG besloten de berisping te schrappen, en de arts een waarschuwing te geven.

Deze casus laat opnieuw zien hoe complex het is om zorgvuldig te handelen omtrent euthanasie bij gevorderde dementie, en benadrukt nogmaals de behoefte aan de ontwikkeling van een professioneel perspectief, gebaseerd op professionele juridisch-ethische normen. Euthanasie bij patiënten met dementie is een complex vraagstuk, met een meervoudig normatief kader, dat vraagt om een breed perspectief waarin juridische, maar ook morele en ethische aspecten meegewogen moeten worden.

Het DALT onderzoek, gestart in oktober 2018 en uitgevoerd door promovendus Djura Coers, is een onderzoek van het UNO-VUmc waarin dit complexe vraagstuk daadwerkelijk vanuit deze verschillende invalshoeken wordt belicht. Op die manier wordt gepoogd meer duidelijkheid te verschaffen omtrent de dilemma’s die artsen ervaren rondom euthanasie bij dementie op basis van een schriftelijke euthanasieverklaring. Het DALT onderzoek betreft een empirisch onderzoek, waarin het thema van euthanasie bij gevorderde dementie vanuit een praktisch oogpunt wordt benaderd. Dit houdt in dat het onderzoek zich richt op wat artsen daadwerkelijk doén, en niet wat zij zoúden doen, wanneer zij voor een dergelijk dilemma staan.
Als eindresultaat beoogt dit onderzoek een handreiking te ontwikkelen waaraan artsen houvast kunnen hebben bij de uitvoering van euthanasie bij gevorderde dementie. Een ondersteuning waarnaar door menig arts zéér wordt uitgekeken!

Blijf op de hoogte van de vorderingen van het DALT onderzoek via: https://unovumc.nl/onderzoeken/dementie-wilsverklaring-en-euthanasie/

 

Om wetenschap en praktijk nog beter op elkaar te laten aansluiten start het UNO-VUmc dit jaar met de ‘Ontwikkelpraktijk’: een intensieve vorm van samenwerking tussen het UNO-VUmc en twee tot vier lidorganisaties die samen met een gepromoveerd onderzoeker onderzoek ontwikkelen en uitvoeren.

Op dinsdag 26 maart is de eerste ontwikkelpraktijk van het UNO-VUmc van start gegaan tijdens de Topcare Praktijk- en Wetenschapsdag in Naarderheem. Samen met Naarderheem van Vivium Zorggroep, GRZ Plus en Zonnehuisgroep Amstelland zullen we intensief gaan samenwerken op het gebied van onderzoek binnen de geriatrische revalidatie.

Later dit jaar start ook een tweede en mogelijk een derde ontwikkelpraktijk binnen de andere thema’s van het UNO-VUmc (hersenaandoeningen en organisatie van zorg). Ook hier zullen medewerkers uit de aangesloten zorgorganisaties die promotieonderzoek binnen dit UNO thema uitvoeren worden aangesteld als ‘science practitioners’. Voor deelname aan deze ontwikkelpraktijken zullen oproepen worden verspreid binnen het netwerk.

Meer informatie? Neem contact op met het UNO via uno@vumc.nl

 

Op donderdag 4 april verdedigt Leonoor van Dam van Isselt haar proefschrift Geriatric Rehabilitation for older patients with COPD; integration of rehabilitation and palliative care.

Het verbeteren van de kwaliteit van leven van oudere patiënten met (zeer) ernstige COPD na een ziekenhuisopname: dat is het doel van het gelijknamige revalidatieprogramma (GR_COPD). Uit het onderzoek van Leonoor blijkt dat het GR_COPD zorgpad haalbaar en effectief is. Op donderdag 4 april verdedigt Leonoor van Dam van Isselt haar proefschrift.

Leonoor werkt als (specialist ouderengeneeskunde) bij Solis, een organisatie in het netwerk van UNO-VUmc.

 

 

Op donderdag 18 april promoveert Suzanne Delwel met haar proefschrift ‘Orofacial pain in older people with dementia’. Suzanne vertelt over haar proefschrift en de reden voor haar onderzoek.

Mondproblemen- en mondpijn vaak aanwezig bij ouderen met dementie

 Suzanne, je gaat promoveren. Waar gaat je proefschrift over?
Dit proefschrift gaat over de aanwezigheid van orofaciale pijn, ofwel mond- en aangezichtspijn, bij ouderen met een milde cognitieve beperking (MCI) of dementie.

Waarom heb je dit onderzocht? Wat was de aanleiding of het probleem?
Wereldwijd hebben ca. 50 miljoen mensen dementie en de verwachting is dat dit aantal zal stijgen. In Nederland hebben we ruim 270.000 mensen dementie. Daarnaast is het niveau van mondzorg de afgelopen jaren flink gestegen en behouden steeds meer ouderen hun natuurlijke tanden en kiezen, tot op hoge leeftijd. Deze combinatie zorgt voor een toename in het aantal ouderen die dementie en eigen tanden en kiezen heeft. Bij mensen met een cognitieve beperking is vaak sprake van een verminderde zelfzorg en daarmee een toegenomen kans op mondproblemen en mondpijn. De aanwezigheid van mondpijn bij ouderen met dementie is echter nauwelijks onderzocht. Daarnaast was er geen hulpmiddel voor de observatie van mond- en aangezichtspijn bij mensen met een cognitieve beperking. In dit proefschrift worden deze onderwerpen besproken.

Wat is het belangrijkste resultaat van je onderzoek?
Binnen dit onderzoek is een observatie-tool ontwikkeld voor mensen met een cognitieve beperking: de Orofaciale Pijn Schaal voor Non-Verbale Individuen (OPS-NVI). De bevindingen van dit onderzoek worden gebruikt voor de PAIC-dental, die onderdeel uitmaakt van een Europese tool-box voor de observatie van pijn bij mensen met een cognitieve beperking: de PAIC, waarvoor een E-learning beschikbaar komt.

Daarnaast zagen wij dat orofaciale pijn (=26%) en mondproblemen (=50%), zoals afgebroken tanden en kiezen en cariës, veelvuldig voorkwamen bij ouderen met een cognitieve beperking of dementie. Zodoende is het erg belangrijk om ‘de mond niet te vergeten’ bij deze kwetsbare groep, de dagelijkse mondzorg en regelmatige tandartscontrole onder de aandacht te houden.

Hoe heb je je onderzoek uitgevoerd? Wat heb je gedaan om tot de resultaten te komen?
We hebben 350 ouderen met een milde cognitieve beperking (MCI) of dementie onderzocht in 2 ziekenhuizen en 10 verpleeghuizen.

Bij deze ouderen hebben we de aanwezigheid van pijn geobserveerd en nagevraagd, en mondonderzoek gedaan om mogelijke oorzaken van pijn vast te stellen.

Wat biedt dit onderzoek precies?
Een belangrijk aspect van welzijn en kwaliteit van leven voor ouderen is pijnvrij zijn. Dit onderzoek draagt bij een betere diagnostiek van orofaciale pijn en brengt het belang van een goede mondzorg bij de kwetsbare en geriatrische groep ouderen onder de aandacht.

 

Suzanne Delwel promoveert op donderdag 18 april om 09.45 uur aan de VU, in het auditorium.

 

 

 

In de langdurige zorg vinden veel ontwikkelingen plaats op het gebied van antibioticaresistentie. Dit blijkt ook uit alle producten en initiatieven die er beschikbaar zijn: richtlijnen, projecten, toolkits, websites, handleidingen en meer…

Als je op de hoogte wilt blijven, zie je mogelijk door de bomen het bos niet meer. En dat is jammer, want alle initiatieven zijn zeer waardevol en helpen actief bij te dragen aan het voorkómen van antibioticaresistentie.

Om overzicht te bieden over al die kennis en het beschikbare materiaal heeft UNO-VUmc een factsheet ‘initiatieven antibioticaresistentie langdurige zorg’ samengesteld. Wij hopen zo zorgorganisaties te helpen om partijen te benaderen of bronnen te raadplegen bij het (door)ontwikkelen van dit thema.

 Klik hier voor het overzicht.

 

Onlangs heeft het UNO-VUmc vier nieuwe collega’s mogen verwelkomen. Een versterking die gaat zorgen voor nieuwe inzichten, talenten en energie.

Onze collega’s gaan samen met zorgverleners uit onze aangesloten organisaties onderzoek ontwikkelen én zorgverleners ondersteunen die zelf promotieonderzoek gaan uitvoeren.

Anouk van Loon en Eefje Sizoo stellen zich deze week aan u voor:

Anouk: Als onderzoeker bij het UNO kan ik doen wat ik het liefst doe in mijn werk: een combinatie van wetenschappelijk onderzoek en begeleiding in een academische en maatschappelijke relevante setting met een uitdagend en multidisciplinair onderwerp: de ouderenzorg. Gedurende mijn academische loopbaan in de Psychologie en Cognitieve Neurowetenschappen heb ik diverse innovatieve projecten opgezet en verschillende analyse en onderzoekstechnieken eigen gemaakt. Ik onderzocht hoe bewustzijn tot stand komt in onze hersenen en hoe de informatie die we waarnemen geïntegreerd wordt met onze binnenwereld. Bij het UNO kan ik deze vaardigheden en kwaliteiten combineren en op een bredere manier inzetten. Ik krijg veel energie van samenwerken en de diverse en stimulerende omgeving van het UNO passen dan ook goed bij mijn sociale karakter.

Eefje: Met enthousiasme ben ik sinds 1 februari werkzaam voor het UNO-VUmc. Na mijn promotieonderzoek en opleiding tot specialist ouderengeneeskunde zocht ik een baan op het snijvlak tussen onderzoek en de ouderengeneeskundige praktijk. Deze vond ik bij het UNO. Terreinen waar ik graag onderzoek op ga doen zijn: (anticiperende) besluitvorming met mensen met cognitieve problemen, palliatieve zorg, probleemgedrag bij mensen met dementie, kwaliteit van leven, hersenaandoening en alles wat daar aan raakt. Naast mijn werk bij het UNO ben ik docent bij Gerion, waar ik artsen in opleiding tot specialist ouderengeneeskunde begeleid bij het doen van een klein onderzoekje in de praktijk.

(van links naar rechts)

Eefje, Annelie, Ewout en Anouk, van harte welkom in ons team!

 

 

Onderzoeksresultaten zijn mooi, maar hoe bereiken deze de mensen in de praktijk? En hoe zorg je er voor dat professionals er ook mee kunnen werken?

De afgelopen jaren is in de SANO-netwerken, waar het UNO-VUmc onderdeel van is, ervaring opgedaan met vele creatieve methoden en middelen om kennis naar de praktijk te brengen: E-learningprogramma’s, factsheets, toolbox en implementatiewijzer…  Maar wat werkt er nu precies, en wat niet? En welke ideeën zijn er voor de toekomst?

Kom naar de SANO Wetenschapsdag op 6 juni 2019.  Ook de huidige landelijke ontwikkelingen komen aan bod.

SAVE THE DATE – SANO wetenschapsdag 2019

Een kennisbijeenkomst organiseren (en zo wordt het een succes)

Hoe kan het toch dat kennisbijeenkomsten in jouw bijeenkomst zo slecht bezocht worden. Dat collega’s – met name verzorgenden en verpleegkundigen – er niet voor te porren zijn? Of dat je boodschap niet over komt? En hoe draai je dit om? Hoe roep je een gevoel van betrokkenheid bij ze op? Of een gevoel van urgentie? Daar heeft het UNO-VUmc zich in verdiept en een methode voor geschreven. In deze workshop vertellen we je, én laten we je zien, hoe je een bijeenkomst interessant kunt maken voor jouw doelgroep. En hoe je dus wetenschappelijke resultaten toegankelijk kunt maken voor iedereen. We doen dit aan de hand van de onderzoekresultaten uit recente projecten vanuit de verschillende thema’s: revalidatie, hersenaandoeningen en antibioticagebruik.

De workshop wordt gegeven door Anouk van Loon, senior onderzoeker en Maike Sparrius, communicatie- en kennisadviseur UNO-VUmc tijdens het landelijke congres over kennisinfrastructuur in de ouderen- en gehandicaptenzorg op 31 januari 2019. Zoek het uit! Praktijk en wetenschap dichter bij elkaar.

Kom ook naar het congres en geef je hier op.

Congres: Zoek het uit! Praktijk en wetenschap dichter bij elkaar

Met als doel meer kennis te krijgen en daarmee de zorg voor ouderen te verbeteren hebben zorgorganisaties lid van het Universitair Netwerk Ouderenzorg, Amsterdam UMC (UNO-VUmc) op woensdag 9 januari de samenwerking voor onbepaalde tijd verlengd. Binnen het UNO-VUmc wordt antwoord gezocht op vragen uit de praktijk, bijvoorbeeld door wetenschappelijk onderzoek. De kennis uit de onderzoeken wordt gebruikt om de zorg voor onze ouderen te verbeteren.

Op woensdag 9 januari hebben zo’n 20 zorgorganisaties de samenwerking met het UNO-VUmc voor onbepaalde tijd verlengd.

Het UNO-VUmc waar onderzoekers, zorgprofessionals én cliënten samen werken aan het verbeteren van ouderenzorg, bestaat sinds 2006. De kennis uit de onderzoeken wordt gebruikt om de zorg aan onze ouderen te verbeteren. En omdat het om een samenwerking gaat tussen wetenschap en praktijk worden er daadwerkelijk concrete verbeteringen doorgevoerd.

De organisaties lid van het UNO-VUmc houden zich bezig met verschillende thema’s. Zo werken zij aan goede zorg voor mensen met een hersenaandoening: Hoe verleen je de beste zorg aan mensen met dementie? En hoe ga je dan om met ‘probleemgedrag’? Het UNO-VUmc heeft een bewezen effectief zorgprogramma ontwikkeld dat beschikbaar is voor ouderenzorgorganisaties binnen én buiten het netwerk.

Andere thema’s zijn antibiotica-resistentie en geriatrische revalidatie.

Door deelname aan het UNO-VUmc hebben zorgorganisaties een voortrekkersrol in de ontwikkeling van de ouderenzorg.

De ondertekening van de nieuwe samenwerkingsovereenkomsten vond plaats op de campus van Amsterdam UMC.

 

Op de foto:
Lizette Wattel (UNO-VUmc), Anouk van Loon (UNO-VUmc), René Hup (Amaris), Ronald Buijs (Zorgcirkel), Cees Hertogh (UNO-VUmc), Marco Wisse (Vivium), Eliane Thewessen (Axioncontinu), Marcel Schaafsma (Evean), Jolanda Buwalda (Omring), Edwin Janssen (Amsterdam UMC), Nelleke Vogel (ZHG Amstelland). 

Zittende mensen v.l.n.r.: Monique Slee-Valentijn (Cordaan), Irma Krieg (Sint Jacob), Ruth Veenhuize (UNO-VUmc), Regina Falck (Zorgspectrum), Inge Borghuis (Amstelring)

 

Ontdek hoe we samen de zorg beter kunnen maken!

Elk jaar stelt het UNO-VUmc een stimuleringssubsidie voor praktijkgericht onderzoek beschikbaar aan organisaties aangesloten bij het UNO. De stimulans bestaat uit een geldbedrag (in totaal €15.000,-) en begeleiding bij de opzet en uitvoering van het onderzoek. Wil jij in jouw organisatie meehelpen de zorg aan je cliënten verder te ontwikkelen? Of wil je onderzoeken of het invoeren van die nieuwe werkwijze leidt tot de gewenste uitkomsten? Kortom: wil jij praktijkgericht onderzoek uitvoeren in jouw organisatie? Meld jouw onderzoeksproject dan aan voor de UNO-VUmc stimulans voor praktijkgericht onderzoek!

UNO VUmc beschikbare subsidie 2019

Bijlage 1 aanvraag stimulans voor praktijkgericht onderzoek 2019

Het terugdringen van antibioticaresistentie is een mondiale uitdaging en vraagt ook om beleid vanuit de langdurige zorg. Belangrijke pijlers van dit beleid zijn: infectiepreventie (onder meer door goede hygiëne) en passend gebruik van antibiotica.
Voor de definitie van ‘passend’ gebruik zijn professionele richtlijnen onontbeerlijk. De nieuwe richtlijnen urineweginfecties en lage luchtweginfecties van Verenso markeren in dit opzicht een indrukwekkende stap voorwaarts, ook internationaal.

Deze richtlijnen formuleren de normen voor passend gebruik en de specialist ouderengeneeskunde is daarom nu aan zet om die normen in zijn/haar praktijk gestalte te geven. De vraag is dan wel: wat zijn zinnige en werkzame strategieën om passend antibioticagebruik conform de nieuwe normen te realiseren? Richtlijnen steunen op het best mogelijke bewijs en op consensus. Daarmee laten richtlijnen ook zien waar kennislacunes liggen en genereren zij nieuwe vragen voor wetenschappelijk onderzoek. Wat zijn die lacunes en hoe draagt lopend wetenschappelijk onderzoek bij aan de beantwoording van relevante kennisvragen?

Kom op 28 januari naar het nascholings-symposium. Het programma en informatie over inschrijving leest u hier.

De zojuist verschenen Verenso richtlijn ‘Urineweginfecties bij kwetsbare ouderen’ is officieel aangekondigd als een revisie. Dat woord doet vermoeden dat het hier slechts om enige bijstelling en een update van de vorige, uit 2006 daterende, richtlijn zou gaan. Het tegendeel is evenwel het geval: de nieuwe richtlijn is op een totaal andere leest geschoeid en vergt een ingrijpende cultuuromslag op het gebied van diagnostiek, behandeling en preventie van urineweginfecties bij kwetsbare ouderen. Dit artikel behandelt niet de hele richtlijn: die staat uitstekend beschreven op de Verenso-website.

Ik beperk mij hier tot een bespreking op hoofdlijnen, waarbij ik vooral antwoord probeer te geven op de vraag waarom de richtlijn een paradigmashift en een cultuuromslag impliceert. Dit heeft namelijk niet alleen te maken met nieuwe inzichten uit het wetenschappelijk onderzoek (in het bijzonder inzake het voorkomen en de betekenis van asymptomatische bacteriurie (ASB)), maar ook met een conceptueel vraagstuk, namelijk dat van de atypische ziektepresentatie in de geriatrie. Op beide ga ik in. Daarna bespreek ik de implicaties hiervan voor de opzet van de nieuwe richtlijn. In dat verband geef ik ook kort aandacht aan de preventie van recidiverende urineweginfecties, in het bijzonder de rol van cranberries daarbij. Ik sluit af met enkele vragen voor wetenschappelijk onderzoek.

Door Prof. Dr. Cees Hertogh.

Wilt u het hele artikel lezen? Bezoek dan de website van het online magazine.

Op donderdag 13 december organiseerden wij het jaarlijkse UNO Symposium.

In aanwezigheid van zo’n 350 deelnemers ontvouwde zich een dag vol verwondering, reflectie, warm gekoesterd cultureel besef, gerechtelijke informatie met een humoristisch tintje, inspiratie, kennis en nog veel meer. Het thema ‘Regie bij de cliënt, en hoe doe je dat?’ werd op velerlei wijzen benaderd. Zo sprak Cees Hertogh over de ethische kant van dit onderwerp: Regie bij de cliënt gaat zoveel verder dan iemand laten besluiten wat of wanneer hij eet.
Kees Blankman, universitair docent Familie- en Gezondheidsrecht, belichtte het thema vanuit juridisch perspectief: Wat moet, en wat mag? Wat is jouw rol ten aanzien van je cliënt, en wat is de rol van de familie? Een interessant betoog, vol humor en interactie.
Henriëtte van der Horst, hoogleraar huisartsgeneeskunde en hoofd afdeling huisartsgeneeskunde & ouderengeneeskunde Amsterdam UMC, locatie VUmc, benaderde het thema vanuit de eerste lijn en concludeerde ‘Regie volgens zorgverleners is níet gelijk aan regie volgens ouderen’. Het zet je aan het denken…
Corinne Zijderveld, programmamanager mijnkwaliteitvanleven.nl bij de Patiëntenfederatie Nederland vertelde over hoe zij de invloed van passende oplossingen bespreekbaar en meetbaar maakt. Ineke Gerridzen, specialist ouderengeneeskunde, uitvoerend onderzoeker Korsakov-studie vervolgens, nam de deelnemers mee in de zorgwereld van patiënten met Korsakov, en besprak hoe eigen regie zich nu eigenlijk verhoudt bij mensen met deze ziekte. Ze vertelde onder meer dat je als zorgprofessional telkens aan het afwegen bent: respecteren of ingrijpen? Behandelen tegen de wil in of niet?
Er was een presentatie van Zorggroep Apeldoorn waarin werd verteld over hoe in kaart werd gebracht hoe cliënten zélf dachten over ‘Eigen regie’. Wat betekent dit voor de zorg en hoe ervaart de zorg dit dan zelf? Wat waren belemmeringen, en wat werkte wel?
Regina Flu, ambulant begeleider, trainer en coach, kreeg de zaal letterlijk en figuurlijk in beweging. Want in hoeverre spreek je nu eigenlijk echt over cultureel verschil? Maakt het uit of je cliënt Surinaams, Fries, Amsterdam of Indonesisch is? Waar het om gaat is wat jouw cliënt nodig heeft om zich prettig te voelen. Kijken verder dan lands- of provinciegrenzen: kijk naar degene die voor je staat!
Caro Houtkoop-Faber, docent/trainer ethiek en communicatie, ging in op betekenisvolle rollen in de zorgverlening. Voelen dat het goed is dat je er bent, dat je nog iets bij te dragen hebt en anderen jou van waarde vinden, is essentieel voor mensen en vormt de basis van hun welbevinden. Hoe zorgverleners hier oog voor kunnen hebben en wat de waarde hiervan is werd prachtig geïllustreerd aan de hand van een concreet voorbeeld uit de praktijk. Jolande van Loon, science practitioner, Tilburg University, Tilburg School of Social and Behavioral Sciences, Tranzo, vertelde over haar onderzoek en hoe ouderen, die vanwege een somatische aandoening in het verpleeghuis zijn gaan wonen, regie over hun leven behouden of ontwikkelen. Ondanks een toenemende afhankelijkheid en kwetsbaarheid. En wat kunnen zorgmedewerkers en -organisaties inzetten of doen om eigen regie te ondersteunen?

Twee medewerkers zorg van organisatie Noorderbreedte vertelden over hun eigen bedachte en opgezette onderzoek dat zij uitvoerden. Het geld en de onsteuning die ze hier voor kregen komt van de ‘UNO-VUmc stimulans voor praktijkgericht onderzoek’, die jaarlijks wordt uitgereikt. Heel mooi om te zien dat wetenschap niet alleen door onderzoekers kan worden gedaan, maar dat juist ook de zorg hier een essentiële rol in heeft.

Tot slot werd een deel van de dag ingevuld door de heer Heijkens. Een ervaringsdeskundige omdat zijn vrouw jarenlang in een verpleeghuis heeft gewoond. Meneer Heikens kan er prachtig over vertellen, heeft veel visie en ervaring en hield de zaal geboeid.

Onze dank gaat uit naar alle sprekers die ons met zoveel passie en kennis (warmte en humor) hebben meegenomen in het thema ‘Regie bij de cliënt, en hoe doe je dat’.

Dank aan alle deelnemers!

De conclusie van de dag? Regie bij de cliënt is zo eenvoudig nog niet…maar we zitten op de juiste weg.

Op naar het UNO Symposium van volgend jaar! (donderdag 12 december 2019).

 

 

Van de redactie

Wetenschappelijke inspiratie

‘Oud en benauwd’ is het thema van ons najaarscongres. Een actueel onderwerp, zo net na het verschijnen van de nieuwe Verenso-richtlijn ‘Lage Luchtweginfecties’. Jobje Haaijman en Else Poot, twee auteurs van de richtlijn, beschrijven in dit tijdschrift de belangrijkste punten en laten zien hoe de richtlijn tot stand kwam. In mijn optiek is het een heldere richtlijn die concrete handvatten geeft voor de practicus.

De bewijslast van de evidence waarop de richtlijn zich baseert is helaas vaak laag, schrijven de auteurs. Hoewel dit niet valt te ontkennen, is het de vraag of deze bewijslast veel hoger te krijgen is bij onze heterogene, kwetsbare populatie. Een randomised controlled trial (RCT), de ‘heilige graal in richtlijnenland’, is lang niet altijd ethisch om uit te voeren, aldus de richtlijnmakers.

Ook stuiten we bij het uitvoeren van een RCT in onze praktijk op veel praktische hobbels. Dat blijkt ook uit de procesevaluatie van Marianne Vos en collega’s. Zij voerden in een kleine RCT uit naar CRP-POCT testen bij de diagnostiek van lage luchtweginfecties in de verpleeghuissetting. Het includeren van voldoende patiënten bleek ingewikkeld in de drukke verpleeghuispraktijk.

Eefje Sizoo

November uitgave TvO

 

Academisering van de langdurige ouderenzorg: waardig in zorg

Om de kwaliteit van de langdurige ouderenzorg te verbeteren is een wetenschappelijke onderbouwing van de zorgpraktijk onontbeerlijk. Dit vereist intensieve samenwerking tussen universiteit, hogeschool, opleidingsinstituten en zorgorganisaties. Die samenwerking realiseren we in het Universitair Netwerk Ouderenzorg van VUmc (UNO-VUmc.). Tijdens de Regiotour Amsterdam kwam de aard en belang van deze samenwerking en de winst hiervan voor ouderen met een complexe zorgvraag en hun zorgverleners aan bod. Ondermeer onderzoek naar:
– zingevingsvragen en waardige zorg,
– persoonsgericht medicatiegebruik als antwoord op polyfarmacie,
– het terugdringen van onvrijwillige zorg.

Cees Hertogh, hoogleraar ouderengeneeskunde en ethiek van de zorg, hoofd UNO-VUmc en programmaleider Aging & Later Life, Amsterdam Public Health, vertelt…

 

Antibioticaresistentie is een groeiend probleem in de ouderenzorg. Een gezamenlijke aanpak tegen het ontstaan en verdere verspreiding van resistentie is hard nodig. Daarom slaan we de handen ineen. Kom maandag 19 november 2018 naar het congres ‘Aanpak antibioticaresistentie in de ouderenzorg’ van het ministerie van VWS, het RIVM en Vilans. Ook het UNO-VUmc mag hier haar steentje aan bijdragen in de vorm van een trio presentatie over de onderzoeken PROGRESS, ANNA en UPCARE:

De nieuwe richtlijnen urineweginfecties en luchtweginfecties zijn nog maar net uit. Het opdoen van kennis op deze gebieden gaat door! Wat voegen de onderzoeken toe? Meld je snel aan voor de workshop ‘academische pitches’.

Samen staan we sterker!

Welke onderzoeksmethode zet jij in om de ouderenzorg te verbeteren?”

Die vraag stond centraal tijdens de jaarlijkse Wetenschapsdag van de zes samenwerkende academische netwerken ouderenzorg, dit keer georganiseerd door het UNO-UMCG. Wetenschappers uit alle netwerken deelden hun ervaringen met verschillende onderzoeksmethoden. Met kwalitatief onderzoek bijvoorbeeld, om inzicht te krijgen in de leefwereld van ouderen.

“Toe, kijk naar mij. Er is zoveel meer dan wat het lijkt. Dat zie je pas echt als je naar me kijkt. Toe, kijk eens écht naar mij…” Met een ontroerend lied over een man met dementie opende theatergroep Ervarea de SANO Wetenschapsdag 2018.

Combinatie van methoden

Daarna beschreef Sytse Zuidema, hoogleraar ouderengeneeskunde en dementie, UMCG en voorzitter van het UNO-UMCG, de opmars van nieuwe onderzoeksmethoden in de ouderenzorg. Aan de hand van actuele onderzoeken kwamen onder meer stepped wedge design, implementatieonderzoek, actieonderzoek en n=1-onderzoek aan bod. Zuidema pleit in de ouderenzorg voor “ander onderzoek dan klassiek gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek (RCT), dat vaak niet geschikt is om complexe interventies in de zorg voor kwetsbare ouderen met multimorbiditeit te bestuderen.”

Zuidema: “Voor deze doelgroep is het veel zinvoller om interventies samen met de zorgpraktijk te ontwikkelen, te implementeren en daarna op werkzaamheid te onderzoeken.” Binnen het UNO-UMCG wordt daarom door themagroepen – leernetwerken rondom een bepaald onderzoeksthema, zoals Probleemgedrag of Medicatieveiligheid – volop geëxperimenteerd met verschillende onderzoeksmethoden.

Ervaren wat ouderen ervaren

Katrien Luijkx, bijzonder hoogleraar ouderenzorg en werkzaam voor de academische werkplaats TRANZO, vertelde over kwalitatief onderzoek. “Zeer waardevol als je inzicht wilt in de leefwereld van ouderen”, aldus Luijkx. “Om mensgerichte zorg te kunnen leveren moet je weten hoe het is om oud te zijn en zorg te ontvangen. Persoonlijke ervaringen en voorkeuren zijn moeilijk in vragenlijsten te vangen. Ga naast hen zitten, ervaar wat zij ervaren.” Dé oudere bestaat niet, benadrukte Luijkx. “Het is belangrijk dat zorgverleners zich daar bewust van zijn en in de praktijk leren omgaan met die variatie.”

Passende onderzoeksdesigns

Programmasecretarissen Vicky de Boer en Désirée te Marvelde van ZonMw vertelden over de focus van het programma Langdurige Zorg en Ondersteuning. Ze benadrukten het belang van het cliëntperspectief. Te Marvelde: “Het cliëntperspectief staat niet alleen centraal in de programmering, maar ook bij de beoordeling van onderzoeksaanvragen. Dus van onderzoekers vragen we om projecten in co-creatie te ontwikkelen en uit te voeren.” De Boer vertelde dat er binnen het programma ook ruimte komt voor fellowships voor MBO- en HBO-opgeleide zorgprofessionals. Bovenal wil ZonMw het veld stimuleren om praktisch toepasbare kennis op te leveren. De Boer: “Als er behoefte is aan nieuwe kennis, dan zijn er passende onderzoeksdesigns nodig om die kennis op te halen in de praktijk. Zodat nieuwe inzichten ook echt gebruikt worden en niet ergens op een plankje belanden.”

Presentaties online

Tijdens zeven parallelsessies deelden onderzoekers hun ervaringen met verschillende onderzoeksmethoden, aan de hand van voorbeelden uit de praktijk. Hun presentaties en die van de plenaire sprekers verschijnen binnenkort online op de website van SANO (Samenwerkende Academische Netwerken Ouderenzorg).

 

De datum voor de SANO wetenschapsdag 2019 is al bekend: op donderdag 6 juni zal deze in Nijmegen plaatsvinden.

Het programma wordt eind eerste kwartaal 2019 bekend gemaakt.

Probleemgedrag bij dementie komt veel voor in zorginstellingen. Het gedrag is belastend voor zowel de persoon met dementie als de mensen in de omgeving. Het is bij probleemgedrag belangrijk om methodisch en multidisciplinair te werken en zo de oorzaak van het gedrag op te sporen en te behandelen. GRIP op Probleemgedrag is een wetenschappelijk bewezen effectieve methode om probleemgedrag aan te pakken en het gebruik van psychofarmaca te verminderen. Het zorgprogramma bestaat uit training over probleemgedrag die het methodisch en multidisciplinair werken aan probleemgedrag ondersteunt.

Inhoud van de cursus
Bij deze train-de-trainer cursus wordt je opgeleid tot lokale GRIP coördinator. Je leert bij de train-de-trainer cursus hoe je in je eigen instelling het zorgprogramma kunt implementeren. Tijdens de cursus bespreken we uiteraard de inhoud van het zorgprogramma, maar ook het organiseren van trainingen voor je team en het motiveren van collega’s. Na het volgen van de cursus kun je direct aan de slag met de implementatie van GRIP.

Voor wie?
Per deelnemende instelling/locatie vragen we drie lokale coördinatoren naar de train-de-trainer cursus te komen. Één van de lokale coördinatoren dient een psycholoog te zijn. De twee andere functionarissen bijvoorbeeld een manager (of teamleider, kwaliteitsfunctionaris, etc. ) en een zorgmedewerker (EVV-er, geriatrisch verpleegkundige).

De bijeenkomst vindt op vrijdag 8 februari en vrijdag 8 maart plaats in Amsterdam. Kijk voor verdere informatie, adres, tijden en kosten in de folder  GRIP op probleemgedrag. Train de trainer.

Onderzoek en organisator
GRIP is door het UNO-VUmc, door onderzoeker Sandra Zwijsen ontwikkeld, in samenwerking met het UKON-netwerk.  Gerion verzorgt de cursus.

Kenniscentrum Vilans maakte een filmpje over de interventie GRIP. Bekijk het hier.

Over gesprekjes waarvan de dokter niet mag weten….

 

Op 28 november 2018 organiseren wij de tweede ACP workshop voor verpleegkundigen en verzorgenden over gespreksvoering in de laatste levensfase.

Verzorgenden en verpleegkundigen voeren vaak gesprekken en gesprekjes over het levenseinde. Deze vinden niet altijd de weg naar het zorgdossier of naar de arts die beleidsafspraken maakt met de bewoners en de naaste/vertegenwoordiger. Soms zijn situaties heel ingewikkeld: bijvoorbeeld als een bewoner aan een verzorgende aangeeft niet meer te willen leven en er meteen bij zegt dat de verzorgende het niet met de dokter mag bespreken.
Het kan dan dus gebeuren dat je in een dilemma zit…

Voor dit soort dilemma’s in gesprekken over het levenseinde hebben we samen met de VUmc academie en Metamedica van VUmc een workshop ontwikkeld met aandacht voor de diverse rollen die een verzorgende of verpleegkundige kan hebben in het leven van de bewoners in verpleeghuizen.

Om in de praktijk goed samen te werken nodigt UNO-VUmc koppels van arts en verzorgenden/verpleegkundigen uit om deel te nemen aan deze workshop. In totaal denk wij aan 10 koppels: 10 specialisten ouderengeneeskunde en 10 verpleegkundigen/verzorgenden.

Bekijk hier het uitgebreide: Programma ACP workshop. Inschrijven kan via deze link.

Een laag vitamine D gehalte bij verpleeghuisbewoners wordt geleid naar muscoloskeletale problemen, vermoeidheid en langdurig ziekenhuis verblijf. Marlous Toren-Wielema, UNO-VUmc coördinator Ruth Veenhuizen, Jan Willem Kappelle, Nic Veeger en Eric van Roon schreven het artikel ‘Efficacy of a Standardized Oral Vitamin D Dosing Regimen in Nursing Home Residents om uit te zoeken hoeveel extra Vitamine D onze kwetsbare ouderen eigenlijk nodig hebben en wat de huidige tekorten zijn. U leest hier het artikel.

 

In de september editie van TvO, Tijdschrift voor Ouderengeneeskunde, heeft het UNO-VUmc dit maal mogen schrijven over de stageopdracht die we ontwikkelden voor leerling verzorgenden niveau 3 en 4.

Lees het volledige artikel hier.

Voor zorgprofessionals, onderzoekers, beleidsmedewerkers en managers.

Kom naar de jaarlijkse wetenschapsdag van SANO, de Samenwerkende Academische Netwerken Ouderenzorg. Dit jaar in Groningen. Het thema is ‘methoden van onderzoek in de ouderenzorg’. Het belooft een interessant programma te worden, je vindt het hieronder. Inschrijven? Dat kun je ook direct hier doen.

 

Wanneer? Donderdag 8 november 2018 van 9.30 – 16.00, uur, inclusief lunch en drankje na afloop.

Waar? UMCG, Groningen

Waarover? Wetenschappelijke onderzoeksbenaderingen en -methoden.

Voor wie? • Onderzoekers, zorgprofessionals, managers en beleidsmedewerkers die werken aan het ontwikkelen, delen en (helpen) toepassen in de praktijk van (nieuwe) wetenschappelijke

kennis. • De organisatie waar je werkt is lid van een van de netwerken van SANO of daar direct bij betrokken.

Waarom?
• Nieuwe en verdiepende kennis verwerven en uitwisselen van ideeën over onderzoeksmethodieken
• Stimuleren van onderlinge (nieuwe) samenwerking in wetenschappelijke projecten.

Wat kost het? Aan deelname aan de SANO Wetenschapsdag zijn geen kosten verbonden.

Schrijf je nu in.

 

De toekomstige patiënt is een oudere patiënt met meervoudige chronische aandoeningen. De huidige gezondheidszorg is daar, met veel superspecialismen, nog onvoldoende op voorbereid. Hoe kunnen wij de studenten goed voorbereiden op de patiënt van de toekomst? Professor Cees Hertogh, hoofd UNO-VUmc en Hoogleraar ouderengeneeskunde & ethiek van de zorg, spreekt tijdens dit symposium over ‘de dokter van morgen die we opleiden in de geneeskunde van gisteren’. Dit doet hij ook naar aanleiding van het promoveren van Ariadne Meiboom, die hij mocht begeleiden als promotor.

Datum, tijd, locatie en kosten
Dinsdag 2 oktober, van 09.00 – 12.00 in de Agora 1 zaal, VU Amsterdam, De Boelelaan 1105, Amsterdam. Deelname aan het symposium is kosteloos.

Inschrijven en registratie
Deelname aan het symposium is kosteloos. Wij verzoeken u vriendelijk tijdig te registreren. Agora 1 zaal heeft een maximale capaciteit van 79 plaatsen. U kunt zich online registreren via: www.vumc.nl/degezondheidszorgverandert

Promotie Ariadne Meiboom
Vanaf 13.45 uur bent u van harte welkom bij de promotie van Ariadne Meiboom, ‘The future is almost there: Attitudes of medical students towards medicine for older people and their motives for future career choice’ in de Aula van de Vrije Universiteit Amsterdam, De Boelelaan 1081 HV, Amsterdam. Inloop is vrij.

HANDHYGIËNE EN INFECTIES IN HET VERPLEEGHUIS

Infecties zoals blaasontsteking en longontsteking, komen veel voor bij verpleeghuisbewoners. Ziekteverwekkers die infecties veroorzaken, zoals bacteriën en virussen, worden makkelijk overgedragen van de ene naar de andere bewoner. Bijvoorbeeld via de handen van zorgpersoneel. Daarom is een goede handhygiëne bij zorgpersoneel heel belangrijk om infecties bij bewoners te voorkomen.

Voor het schooljaar 2017 – 2018 heeft het UNO-VUmc een stageopdracht ontwikkeld voor leerling verzorgenden niveau 3 en 4. De opdracht voor niveau 3 ging over het onderwerp ‘infecties’ en de opdracht voor niveau 4 over ‘handhygiëne’. Beide opdrachten bestonden uit een praktische taak én het meten van een aantal gegevens. Met deze opdracht hebben we ons als doel gesteld MBO studenten te laten ervaren dat zij zélf door middel van wetenschappelijk onderzoek bij kunnen dragen aan kwaliteitsverbetering van de ouderenzorg. En dat wetenschappelijk onderzoek dus niet ‘zo ver van je bed’ is als wellicht eerder gedacht.

Doel en methode
Leerling verzorgenden niveau 3 onderzochten middels een enquête het kennisniveau van hun collega’s over het signaleren en overdragen van tekenen van infectie bij bewoners. Vervolgens gaven zij een klinische les over dit onderzoek en toetsten zij of de kennis over het onderwerp daardoor was toegenomen.
De leerling verzorgenden niveau 4 observeerden collega’s tijdens een zorgronde in hoeverre handhygiëne richtlijnen werden toegepast. Zij ontwikkelden en organiseerden een klinische les waarin de resultaten van de observaties waren verwerkt. Na de les observeerden zij de betreffende collega’s opnieuw waarna zij onderzochten wat het effect van de klinische les was op hygiënisch werken.

Enthousiaste leerlingen
De opdracht werd enthousiast ontvangen door de MBO studenten. Wij ontvingen reacties als ‘met mijn onderzoek lukt het mij om mensen weer bewust te maken’ en ‘deze manier van werken bood mij een kans om zelf direct voor verbetering in onze zorg te zorgen’. Ook buiten de kaders van de opdracht droegen de studenten de kennis verder uit in hun organisaties.

Verder hebben wij kunnen concluderen dat het toepassen van handhygiëne is verbeterd onder de collega’s die zijn geobserveerd in het stageproject. Op basis van de beschrijvingen van de studenten kan ook gesteld worden dat de klinische les geleid heeft tot meer bewustzijn voor het belang van handhygiëne en daardoor het beter toepassen van handhygiëne op de werkvloer.

Meer informatie
Vragen over het onderzoek of het verslag ontvangen? Stuur dan een mail aan uno@vumc.nl

 

Ervaringen:

“Na de klinische les die ik heb gegeven merkte ik dat handhygiëne leefde op de afdeling en dat collega’s er meer op gingen letten. Er verschenen plotseling meer flacons handalcohol op de gang en op kamers bij cliënten.”

 “In de praktijk heb ik momenten waargenomen dat medewerkers elkaar aanspreken wanneer de handhygiëne richtlijnen niet worden nageleefd.”

“Dagen na de klinische les is tijdens koffie momenten herhaaldelijk over handhygiëne gesproken door de medewerkers”.


Dit jaar stelt het UNO-VUmc voor het eerst een stimuleringssubsidie voor praktijkgericht onderzoek beschikbaar. De stimulans bestaat uit een geldbedrag en begeleiding bij de opzet en uitvoering van het onderzoek. We nodigden alle medewerkers uit ons netwerk uit – in het bijzonder de echte ervaringsdeskundigen, de medewerkers op de werkvloer – met kleinschalige en praktijkgerichte onderzoeksprojecten of ideeën te komen. Deze moesten zich richten op het verbeteren van de zorg voor cliënten. Alle ingestuurde projecten werden beoordeeld op onder andere haalbaarheid en relevantie.

Vanuit de 22 ingestuurde ideeën zijn wij verheugd te kunnen melden dat de subsidie is toegekend aan twee projecten:

  • het project Vermindering irritatie tijdens maaltijden door groepsactiviteiten door medewerkers van de afdeling Gentiaan van Nieuw Toutenburg (Noorderbreedte).
    Binnen dit project wordt gestreefd naar een betere sfeer tijdens de avondmaaltijd. Er wordt gekeken of het organiseren van een groepsactiviteit voorafgaand aan deze maaltijd leidt tot minder geïrriteerd gedrag.
  • het project Flowcard CVA van Tineke Dansen (Cordaan). Binnen dit project wordt onderzocht of bij CVA-patiënten de inzet van meetinstrumenten kan worden gebruikt om te bepalen welk revalidatietraject gevolgd moet worden: ‘wel of niet intensief’ en ‘met of zonder logopedie’. In een pilot bleek de revalidatie-efficiëntie sterk toe te nemen. In het huidige project wordt beoordeeld of dit ook op grotere schaal het geval is.

Wij feliciteren deze leden van ons netwerk hartelijk en verheugen ons op mooie resultaten.

Dementie heeft verschillende vormen. Maar welke vorm een patiënt ook heeft, in de loop van de tijd zal hij of zij de wereld om zich heen steeds minder gaan begrijpen.

Er komen nieuwe gezondheidsproblemen bij…
Er ontstaan spraakstoornissen…
Beslissen over de eigen behandeling zal steeds moeilijker gaan…

Een grote verantwoordelijkheid komt op de schouders van de mantelzorgers neer. Een gevoelige en lastige taak waarop de meeste mensen niet of nauwelijks voorbereid zijn.

Voor wie?
Dit boekje is speciaal samengesteld voor familie en naasten. Maar ook voor zorgprofessionals is het een waardevolle handreiking. Bijvoorbeeld om de familie en naasten bij te staan met informatie na een gesprek.

De handreiking ‘Zorg rond het levenseinde voor mensen met Alzheimer of een andere vorm van dementie’ is nu ook online verkrijgbaar. Met deze handreiking vertellen wij over hoe dementie zich in het algemeen naar het einde toe ontwikkelt. Op die manier wordt inzicht gegeven in de mogelijke problemen en behandelmogelijkheden in de laatste levensfase. De handreiking legt de nadruk op palliatieve zorg.

 

 

 

 

Het verzamelen van kerndata om conclusies te kunnen trekken over juist gebruik van antibiotica is niet als extra belastend ervaren. Dat lieten onderzoekers en zorgorganisaties weten nadat zij samenwerkten in de pilot ‘Juist Gebruik van Antibiotica’.

Op basis van reguliere zorgregistraties en door middel van een minimale toevoeging aan het ECD (Elektronisch Cliënten Dossier) van de betrokken organisaties is er data gegenereerd. Wij verzamelden welke antibiotica werden voorgeschreven, op basis van welke symptomen en klachten. Vervolgens boden wij de betrokken organisaties inzicht in wat zij voorschreven in vergelijking met collega’s in andere verpleeghuizen. Dit voorschrijfbeleid vergeleken wij vervolgens met nieuwe richtlijnen, die later dit jaar gepubliceerd worden. Hierdoor kregen zowel de onderzoekers als de deelnemende organisaties een goed beeld van de verhouding tussen hun voorschrijfbeleid en de nog te implementeren richtlijnen.

Een mooi voorbeeld van een succesvolle samenwerking tussen de Academische Werkplaatsen Ouderenzorg, waaronder het UNO-VUmc, de aangesloten zorgorganisaties en GeriMedica als leverancier van het elektronisch patiëntendossier Ysis.

Op basis van de bevindingen uit het project Juist Gebruik van Antibiotica, volgt dit najaar een vervolg. De betrokken zorgorganisaties worden begeleid in het zich meer toe-eigenen van het project. Hen wordt onder meer een kosteloze training in Antibiotic Stewardship aangeboden. Deze training ontwikkelen wij samen met Verenso.

 

Lees hier het eindrapport Juist Gebruik Antibiotica en Stewardship.

 

PERSBERICHT

Structurele financiering voor kennisontwikkeling ouderenzorg

 

 

 

Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft besloten om de zes Samenwerkende Academische Netwerken Ouderenzorg (SANO), waaronder het UNO-VUmc, structurele financiering te verlenen. De zes netwerken hebben jaren een bewezen substantieel aandeel in de wetenschappelijke kennisontwikkeling in de langdurige ouderenzorg, denk hierbij aan het niet meer vastbinden van ouderen in verpleeghuizen. De aanvullende structurele financiering, uitgevoerd door ZonMw, levert naar verwachting nieuwe kennis op over bijvoorbeeld effecten van innovaties in de organisatie van de ouderenzorg, slimme aansluitingen op de arbeidsmarkt en verdere verbetering van de kwaliteit van de verpleeghuiszorg. Deze nieuwe kennis komt landelijk beschikbaar voor alle verpleeghuizen in Nederland.

Nederland telt zes academische netwerken ouderenzorg die al jarenlang wetenschappelijk onderzoek uitvoeren in de verpleeghuiszorg en thuiszorg. De netwerken zijn een gezamenlijk initiatief van zes universiteiten van Maastricht, Nijmegen, Tilburg, Leiden, Amsterdam (Amsterdam UMC, locatie VUmc), Groningen en de betrokken verpleeghuizen. In de netwerken werken onderzoekers, zorgverleners, ouderen en hun mantelzorgers, beleidsmakers en docenten van het WO, HBO en MBO samen aan concrete thema’s, zoals het verbeteren van pijnbeoordeling bij mensen met dementie, het versterken van de inbreng van verpleeghuisbewoners en hun verwanten, het voorkomen van onvrijwillige zorg en het door ontwikkelen en optimaliseren van geriatrische revalidatiezorg. Zo heeft onderzoek in de netwerken ertoe geleid dat de toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen in verpleeghuizen sterk is gereduceerd en dat onbegrepen gedrag bij mensen met dementie adequaat wordt aangepakt door zorgverleners.

Om de slagkracht van deze Academische Netwerken Ouderenzorg te vergroten heeft het ministerie van VWS besloten de zes netwerken te co-financieren met structurele gelden die oplopen en vanaf 2020 €700.000 bedragen per netwerk per jaar. Dat houdt bijvoorbeeld in dat meer vaste onderzoeksmedewerkers aan universiteiten kunnen worden aangesteld en ook dat meer duobanen binnen de netwerken kunnen worden ingesteld. In die duobanen werken onderzoekers van universiteiten deels in een zorgorganisatie en zijn zorgverleners zoals verpleegkundigen, paramedici, psychologen en artsen deels werkzaam bij een universiteit, HBO- of MBO-organisatie. In het verlengde daarvan kan meer onderzoek worden gedaan naar thema’s die zorgverleners en ouderen zelf belangrijk vinden en wordt ook meteen gestart met het toepassen van nieuwe kennis in de praktijk.

Met de structurele financiering wordt de bestaande kennisinfrastructuur dus versterkt. Hierdoor kunnen de netwerken een forse impuls geven aan het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek, in nauwe samenwerking met de zorgpraktijk en het onderwijs. Dit is belangrijk omdat door deze kennisontwikkeling de kwaliteit van zorg voor en kwaliteit van leven van ouderen in een kwetsbare positie kan worden verbeterd. Daarnaast kan de verpleeghuiszorg hiermee duurzaam verbeteren en vernieuwen.

 

Noot voor redactie, niet voor publicatie:

 

Voor informatie over de structurele financiering van de Academische Netwerken Ouderenzorg kan contact worden opgenomen met:

 

Namens de Samenwerkende Academische Netwerken Ouderenzorg: Prof. dr. Jan Hamers
E: jph.hamers@maastrichtuniversity.nl T: 043-3881698
Namens VWS: de heer Alex Dees
E: aj.dees@minvws.nl T: 06-15943788

Namens ZonMw: Drs. Abida Durrani
E: durrani@zonmw.nl T: 070-3495239

  

Voor informatie over de werkwijze van een specifiek netwerk, hun projecten en mogelijkheden die de structurele financiering biedt kan contact worden opgenomen met:

Amsterdam (Universitair Netwerk Ouderenzorg VUmc): Prof. dr. Cees Hertogh
E: cmpm.hertogh@vumc.nl T: 020-4448374

Maastricht (Academische Werkplaats Ouderenzorg Zuid-Limburg): Prof. dr. Jan Hamers
E: jph.hamers@maastrichtuniversity.nl T: 043-3881698

Nijmegen (Universitair Kennisnetwerk Ouderenzorg Nijmegen): Prof. dr. Raymond Koopmans
E: raymond.koopmans@raboudumc.nl T: 024-3668244

Tilburg (Tranzo Academische Werkplaats Ouderenzorg): Prof. dr. Katrien Luijkx
E: k.g.luijkx@uvt.nl T: 013-4662969

Leiden (Universitair Netwerk voor de Care sector Zuid Holland): Prof. dr. Wilco Achterberg
E: w.p.achterberg@lumc.nl T: 071-5268444

Groningen (Universitair Netwerk Ouderenzorg UMCG): Prof. dr. Sytse Zuidema
E: s.u.zuidema@umcg.nl T: 06-25647103

 

 

 

Het Academisch Medisch Centrum (AMC) en VU medisch centrum (VUmc) zijn op donderdag 7 juni 2018 bestuurlijk gefuseerd. De voorzitters van de beide Raden van Bestuur zetten daarvoor vanmiddag hun handtekening. Dat gebeurde in de binnenstad, op een historische plek voor de Amsterdamse geneeskunde: het 17e-eeuwse anatomisch theater in De Waag.

Na een intensieve voorbereiding van enkele jaren, werken de twee Amsterdamse academische ziekenhuizen vanaf dit moment  samen onder een gezamenlijke naam: Amsterdam UMC. Deze stap maakt het de beide Amsterdamse universitair medische centra mogelijk om in gezamenlijkheid hun kerntaken verder te ontwikkelen: complexe patiëntenzorg, wetenschappelijk onderzoek, en onderwijs & opleidingen. Amsterdam UMC zet nu een proces in gang van voortgaande integratie. In eerste instantie betreft dit vooral de patiëntenzorg en het wetenschappelijk onderzoek.

Bestuur
In juridische zin, blijven AMC en VUmc aparte entiteiten. De beide umc’s houden hun eigen contracten met medewerkers en overeenkomsten met leveranciers. Ook contracten met banken en verzekeraars worden door de afzonderlijke instellingen afgesloten, en beide ziekenhuizen houden een aparte jaarrekening.
Na de bestuurlijke fusie kent elk umc weliswaar nog steeds een eigen Raad van Bestuur, maar in beide huizen nemen daarin wel dezelfde vijf mensen plaats: Hans Romijn, Wouter Bos, Frida van den Maagdenberg, Chris Polman en Mark Kramer.
Hans Romijn blijft bestuursvoorzitter van het AMC en is vicevoorzitter bij VUmc, Wouter Bos blijft bestuursvoorzitter bij VUmc en is vicevoorzitter bij AMC. Ook in de twee Raden van Toezicht nemen dezelfde, zeven, mensen zitting. Wim Kuijken is voorzitter van beide Raden van Toezicht.

Patiëntenzorg
Met de fusie wil Amsterdam UMC de kwaliteit van patiëntenzorg, voor nu en komende generaties, een nieuwe impuls geven. Onderdeel daarvan is het samenbrengen van specifieke patiëntgroepen op telkens één van beide locaties. Hiermee kunnen wij de duurzame beschikbaarheid van complexe patiëntenzorg garanderen.
De eerste verschuivingen in het zorgaanbod vinden naar verwachting dit najaar al plaats. De Intensive Care Kinderen bijt het spits af. Deze zorg verschuift naar de locatie AMC. Daarna volgen concentraties van patiëntenzorg over en weer.

Wetenschappelijk onderzoek
Amsterdam UMC kent inmiddels acht geïntegreerde onderzoeksinstituten (zie amsterdamresearch.org). Door deze bundeling van krachten kunnen de onderzoeksinstituten hun wetenschappelijk onderzoek doelmatiger organiseren en worden ze wereldwijd een aantrekkelijkere partner voor grootschalige, internationale en langjarige studies. Dit is interessant voor studenten en onderzoekers uit binnen- en buitenland.

Onderwijs & opleiding
De afzonderlijke studies geneeskunde blijven bestaan, die zijn immers gelieerd aan de twee Amsterdamse universiteiten: de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit.
De 3-jarige bacheloropleidingen blijven volledig gescheiden. De masteropleidingen (coassistentfase) gaan in de loop van de jaren veranderen; als medische specialismen op één van beide locaties zijn geconcentreerd, kunnen de betreffende coassistentschappen van beide studies immers alleen daar worden aangeboden.

Personeel en werk
AMC en VUmc hebben een gezamenlijk sociaal beleidskader afgesproken met de bonden. Een van de belangrijkste afspraken geldt de baanzekerheid. Zo behouden medewerkers werk en vallen er geen gedwongen ontslagen in de komende vijf jaar, voor reorganisaties die het gevolg zijn van de fusie. Overigens blijkt nu al dat het voor vele functies lastig is om vacatures in te vullen. Naar verwachting neemt de vraag naar personeel in de patiëntenzorg bovendien alleen maar toe.
Medewerkers kunnen wel gevraagd worden om mobiel te zijn, bijvoorbeeld als door samenvoeging van afdelingen werken op de andere locatie nodig is. Ook daarover zijn afspraken gemaakt in het sociaal beleidskader.

Bron: VUmc

 

Wat betekent dit voor de naamgeving van het UNO-VUmc?
Op donderdag 8 juni is de nieuwe naam bekend geworden: Amsterdam UMC. Wat dit precies voor de naam van ons netwerk te betekenen heeft wordt nu in kaart gebracht. Meer informatie hierover volgt zeer binnenkort.

Cees Hertogh heeft zo zijn bedenkingen en legt uit waarom.

 

Amsterdam, 15 mei 2018

 

Anticiperend denken en handelen, of te wel ‘voorzorg’, is een belangrijk aspect van goede ouderengeneeskundige zorg. Steeds meer patiënten nemen hiertoe zelf het initiatief en maken een wilsverklaring. Maar moet de dokter daar nu echt zo blij mee zijn? Cees Hertogh, hoogleraar ouderengeneeskunde & ethiek van de zorg van VUmc en hoofd van het UNO-VUmc, heeft zo zijn bedenkingen en legt uit waarom.

 Schriftelijke wilsverklaringen zijn populair en het aantal ouderen met zo’n verklaring neemt gestaag toe. Mensen denken dus beter na over hun toekomst, zo lijkt het. Maar mijn stelling is: een wilsverklaring is de slechtst denkbare vorm van voorzorg.

‘Dit zou zij nooit gewild hebben’
De schriftelijke wilsverklaring is afkomstig uit de VS. Het geloof dat mensen door middel van zo’n instrument invloed op hun toekomstige behandeling zouden kunnen uitoefenen werd enorm gesterkt door enkele geruchtmakende rechtszaken. In één zo’n zaak trachtten ouders te bewerkstelligen dat de rechter toestemming zou geven voor het staken van de kunstmatige beademing van hun kind, dat in een irreversibel coma was geraakt. “Als onze dochter een moment zou ontwaken en kon waarnemen in welke situatie zij terecht was gekomen, zou zij dit nooit gewild hebben”, zo luidde de verzuchting van de machteloze ouders. Om die situatie van even ontwaken zo dicht mogelijk te benaderen en daarmee de vroegere wilsbekwame persoon een stem in behandelbeslissingen te geven, leek de schriftelijke wilsverklaring – een advance directive – het ideale instrument.

Nalaten versus toepassen
Begin jaren negentig werd ook in Nederland wetgeving van kracht die het opstellen van zo’n wilsverklaring moest aanmoedigen. Onder druk van de politiek werd de zogenaamde ‘negatieve wilsverklaring’ opgenomen in de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO). De negatieve wilsverklaring (of behandelweigering) kreeg daarmee een sterke juridische status: de arts dient zo’n verklaring te respecteren, tenzij hij gegronde redenen kan aanvoeren om dat niet te doen.

Tegenover deze negatieve verklaring staat de positieve verklaring. Daarin gaat het niet om het nalaten van bepaalde handelingen, maar juist om het toepassen van handelingen die in een verklaring nader worden omschreven. In 2002 werd een regeling getroffen voor de meest voorkomende vorm van deze positieve wilsverklaring, namelijk de euthanasieverklaring. Met dit verschil dat een arts nooit gedwongen kan worden om zo’n positieve verklaring uit te voeren.

Onwillige artsen?
Dit laatste lijkt echter steeds minder goed uit te leggen. In de euthanasiediscussie van vandaag wordt met enige regelmaat frustratie geuit over de vermeende onwilligheid van artsen om een euthanasieverklaring uit te voeren. Een voorbeeld is een opiniestuk dat op 10 januari 2018 in het AD verscheen onder de titel “Wie helpt mijn demente moeder uit haar lijden?” Daarin staat de volgende passage: “In 2002 heeft zij, toen nog bij haar volledig volle  verstand, haar wilsverklaring opgesteld, bekrachtigd door middel van vijf handtekeningen. Zij is al vele jaren lid van de NVVE. Maar nu zij dementeert, is hiervan niets meer rechtsgeldig.”

Geen contract
Vijf handtekeningen en het lidmaatschap van de NVVE (Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde) lijken extra gezag te moeten geven aan de euthanasieverklaring. Alsof het een contract betrof, waarvan de afdwingbaarheid toeneemt naarmate er meer handtekeningen onder staan. Alleen: een wilsverklaring is geen contract. Een contract veronderstelt namelijk op z’n minst twee partijen en die zijn er niet bij het opstellen van een wilsverklaring. Het recht omschrijft zo’n verklaring dan ook als een ‘eenzijdige rechtshandeling’. Dat wil echter niet zeggen dat het gezag van een wilsverklaring dan exclusief gegrondvest zou kunnen worden op het principe van de individuele zelfbeschikking (voorafgaand of anticiperend). Een wilsverklaring – positief of negatief – voert immers niet zichzelf uit, maar vergt een actieve betrokkenheid én verantwoordelijkheid van anderen, in het bijzonder van de arts. Anders dan een regulier testament, dat de laatste wil van een overledene bevat, verwoordt een wilsverklaring de vroegere opvatting van een persoon, wiens kwetsbare leven beschermwaardigheid toekomt. De arts heeft hier een bijzondere verantwoordelijkheid, die niet afgewenteld kan worden op een eerder vastgestelde wilsverklaring.

Veranderingen
Daarnaast roept het ontbreken van een geldigheidsduur regelmatig twijfel op aan de waarde van een schriftelijke wilsverklaring. Zie het voorbeeld hierboven: de opvatting die vol overtuiging in de wilsverklaring werd vastgelegd dateert van 2002. Ook al staan daar vijf handtekeningen op, de vraag blijft of dit document in januari 2018 nog wel valide was? Wie in coma raakt kan z’n mening niet bijstellen. Maar hoe anders is dat voor patiënten die te maken krijgen met een chronisch progressieve aandoening? Mensen hebben een aanpassingsvermogen dat zij doorgaans slecht van zichzelf kennen. En dat gaat ook niet meteen verloren als zich cognitieve veranderingen voordoen, integendeel: ‘people tend to change their mind, especially when their minds have changed’. De essentie van goede zorg is daarom om respectvol om te gaan met veranderingen in opvatting en perspectief, óók als het gaat om mensen met beperkte wilsbekwaamheid.

Tijd is kwaliteit
Schriftelijke wilsverklaringen hebben dus een betrekkelijke betekenis…
Ik heb om deze redenen weinig vertrouwen in het monologisch vastleggen van voorzorgwensen in een statisch document. Veel meer verwacht ik van een dialogische benadering van anticiperende zorg, in de vorm van regelmatige gesprekken tussen arts en patiënt. Dat vergt tijd. Zeker. Maar tijd die zich terug betaalt in kwaliteit en in persoonsgerichte medische zorg.

 

Cees Hertogh
Hoogleraar ouderengeneeskunde & ethiek van de zorg van VUmc en hoofd van het UNO-VUmc schrijft in deze blog over zaken die hem en het UNO-VUmc bezig houden.
Reageren? Dat kan door een mail te sturen aan uno@vumc.nl

Volg het UNO-VUmc op LinkedIn en Twitter.

 

Deze blog is gebaseerd op het artikel ‘Van voorafgaande zelfbeschikking naar anticiperend dialoog’, verschenen in het H&O magazine (nr. 2, 2018) van VUmc. H&O is het magazine van de afdeling huisartsgeneeskunde & ouderengeneeskunde van VUmc. Geïnteresseerd in het magazine? Mailt u dan uw adres gegevens aan uno@vumc.nl, ovv H&O magazine ontvangen.

 

Tijdens het Atlantcongres op 19 april sprak Cees Hertogh, hoofd UNO-VUmc  en hoogleraar Ouderengeneeskunde & Ethiek van de zorg bij het VUmc over dilemma’s bij de zorg aan mensen met het syndroom van Korsakov.

Met de titel ‘Wat we doen en wellicht niet mag’ kwamen er herkenbare voorbeelden uit de zaal: iemand een sigaret beloven om hem te motiveren, terwijl je weet dat roken ongezond is. Of iemand tegen zijn zin naar muziektherapie sturen omdat je weet dat hij er wél blij van wordt.

Professor Cees Hertogh vindt dit herkenbare voorbeelden die men kennelijk bewust op het netvlies heeft. “Dat getuigt van een morele sensitiviteit die je niet overal ziet.”

Cees gaat in op verschillende ethische benaderingen van dilemma’s in de praktijk van alledag. “Het gaat hier om een kwetsbare autonomie. Over de keuze: respecteren of interveniëren?” Hij verwijst naar het welkomstwoord door de bestuurder van Atlant, Thijs Houtappels. Die benadrukte duidelijk het begrip ‘ruimte’ uit de visie van zijn organisatie. Cees: “Op veel websites binnen de zorg vind je termen als ‘eigen regie’ en ‘zelfontplooiing’. Maar er is altijd een spanningsveld tussen ruimte geven en begrenzen. Als je met deze groep wilt werken, vraagt dat een specifieke professionaliteit. Want bij Korsakov-patiënten heb je te maken met een dubbele kwetsbaarheid: als iemand zeker weet dat hij niks mankeert, is het lastig zorgen. Bovendien confronteert zorgweigering je als zorgprofessional ook met je eigen kwetsbaarheid.”

Geïnteresseerd in de hele keynote van Professor Hertogh? Klik hier.

 

Hoeveel Florence Nightingales telt Nederland? “Ontelbaar veel”, zegt Cees Hertogh, hoogleraar ouderengeneeskunde & ethiek van de zorg en hoofd universitair netwerk ouderenzorg VUmc (UNO-VUmc). “Want iedere verzorgende of verpleegkundige heeft wel een stukje van haar opmerkelijke karakter in zich: niet alleen verpleegde en verzorgde zij zieke en gewonde patiënten. Zij zorgde er bovendien voor dat processen beter gingen lopen en de zorg voor patiënten verbeterde. Een taak die vandaag de dag in het bijzonder op de schouders van onze zorgmedewerkers drukt, én die met beide handen aangepakt wordt. De zorg in Nederland is niet meer zoals vroeger. We werken er elke dag aan om betere zorg aan onze ouderen te leveren, om de veranderingen die gaande zijn in goede banen te leiden. Florence Nightingale is een werkwoord: jij Florence Nightingalet, wij Florence Nightingalen…. Wij zorgen voor de dag van morgen.  #12mei #dagvandeverpleging #trotsopdezorg #DvdV2018

 

 

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de kwaliteit van leven positief wordt beïnvloed door een gezonde mond. Om die reden wordt er veel onderzoek gedaan naar dit onderwerp én heeft de opleiding mondzorgkunde van Hogeschool InHolland Amsterdam een maatschappelijke stage in een verpleeghuis verplicht gesteld.

Kersti de Lugt-Lustig, werkzaam bij Vivium als Mondzorg Coach en docent ouderenzorg bij Hogeschool InHolland Amsterdam, zoekt zorginstellingen waar studenten mondzorgkunde stage kunnen lopen. De eerste stageperiode begint in november 2018 en duurt 7 weken (waarvan 1 dag per week stage). Aan de stage zijn geen kosten verbonden voor de zorginstelling.

Interesse of meer informatie? Kersti staat je graag te woord:

kersti.delugtlustig@InHolland.nl

T 06.23 81 69 38.

 

Leidt een beslisboom voor behandeling van urineweginfecties tot beter antibioticagebruik?
Het RIVM start in samenwerking met regionale zorgnetwerken een groot landelijk onderzoek naar resistente bacteriën in verpleeghuizen. Dit zijn bacteriën die ongevoelig zijn voor antibiotica. Steeds meer bacteriën worden ongevoelig voor antibiotica. Dat kan betekenen dat een ‘gewone’ infectie zoals een blaasontsteking, moeilijker kan worden behandeld. Daardoor zijn patiënten vaak langer of ernstiger ziek. Dit betreft vooral kwetsbare mensen, zoals zieken en ouderen. Het is de bedoeling dat ongeveer 300 verpleeghuizen verspreid over het hele land mee gaan doen.

Ook het UNO en haar aangesloten lid-organisaties buigen zich over deze problematiek. Met onderzoek ANNA wordt bekeken of de inzet van een beslisboom voor de behandeling van urineweginfecties leidt tot beter antibioticagebruik. Meer informatie?

Managing pain and challenging behaviour in nursing home residents with dementia’.

Pijn, gevoelens en gedachten moeilijk te achterhalen
In het ziektebeloop van dementie komt gedrag zoals onrust (agitatie), lusteloosheid (apathie) en depressie veel voor. Dit gedrag, ook wel neuropsychiatrische symptomen genoemd, stelt familie en zorgverleners voor grote uitdagingen. Neurologische veranderingen die door dementie zijn veroorzaakt, kunnen de oorzaak zijn van deze symptomen. Maar er kunnen ook andere oorzaken zijn, zoals lichamelijke aandoeningen, pijn en over- of onderprikkeling. Het gevolg is dat het gedrag niet meer wordt gezien als ‘signaal’ en wordt behandeld met psychofarmaca. Dit is vaak niet effectief én kan ernstige bijwerkingen hebben. Bij patiënten met deze klachten is het moeilijk om pijn goed te herkennen, gevoelens en gedachten duidelijk te krijgen en de juiste actie daarop te ondernemen. Een goede analyse van de achtergronden van de symptomen of gedrag is daarom wenselijk.

Methode om gedrag patiënt te analyseren
STA OP! is een stapsgewijze methode om het gedrag van de patiënt te analyseren en gerichte en effectieve acties te ondernemen. In het stappenplan worden algemene, lichamelijke, psychologische en sociale oorzaken van het gedrag onderzocht en worden mogelijke interventies aangereikt. Daarbij is speciale aandacht voor het onderzoek en behandeling van pijn. Als voorgaande stappen geen oplossing bieden wordt gekeken of externe deskundigheid nodig is (bijvoorbeeld een psychiater) of dat psychofarmaca moeten worden voorgeschreven.

STA OP! methode effectief in het verminderen van neuropsychiatrische symptomen
Het onderzoek laat zien dat de STA OP! methode effectief is in het verminderen van neuropsychiatrische symptomen (zoals agitatie, apathie en depressie), pijn en psychofarmaca bij verpleeghuisbewoners met gevorderde dementie. STA OP! biedt zorgverleners een effectieve stapsgewijze methode om onbegrepen gedrag bij dementie beter te behandelen. De werkmethodiek van STA OP! wordt op dit moment ontwikkeld en zal binnen enkele maanden voor elke organisatie beschikbaar zijn om mee aan de slag te gaan.

Op woensdag 16 mei 2018, om 13:45 uur zal Marjoleine haar proefschrift getiteld ‘STA OP! Managing pain and challenging behaviour in nursing home residents with dementia’ verdedigen in de aula van de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Meer informatie over STA OP!? Mail je vraag of opmerking naar uno@vumc.nl

 

 

Stuur nu verbeter ideeën in met kans op subsidie!

 

Meehelpen de zorg aan onze cliënten verder te ontwikkelen? Of onderzoeken of het invoeren van die nieuwe werkwijze leidt tot de gewenste uitkomsten? Het UNO-VUmc stelt een subsidie van €15.000 beschikbaar voor de organisatie die een kleinschalige, praktijkgerichte onderzoeksproject in ouderenzorgorganisaties wilt uitvoeren dat leidt tot betere zorg of werkwijzen.

Er zijn drie typen onderzoeken mogelijk:

  • Ontwikkel een werkwijze of product voor een probleem of vraag uit de praktijk, en onderzoek of deze werkwijze een oplossing biedt. Voorbeeld: Het valt je op dat cliënten die thuis nog een huisdier hadden, de omgang met het dier vaak missen. Je wilt onderzoeken of een dagbestedingsactiviteit met dieren een positieve invloed heeft op de kwaliteit van leven van deze cliënten.
  • Je wilt onderzoeken of een werkwijze of product, die al in jouw organisatie wordt gebruikt, ook leidt tot de gewenste uitkomsten. Of: je wilt onderzoeken of een werkwijze die elders leidt tot gewenste uitkomsten, óók in jouw organisatie goed werkt. Voorbeeld: De facilitaire dienst heeft een ‘kookboek’ ontwikkeld waaruit cliënten in een kleinschalig woongroep zelf een weekmenu kunnen samenstellen. Sinds kort wordt dit in enkele woongroepen gebruikt. Je wilt onderzoeken of de cliënten in de woongroepen die gebruik maken van het kookboek beter eten dan cliënten in de woongroepen die het kookboek niet gebruiken.
  • Je wilt onderzoeken of het lukt om een werkwijze of product, waarvan bekend is dat deze positieve effecten heeft, op een succesvolle manier is in te voeren in jouw organisatie. Voorbeeld: Onderzoek heeft aangetoond dat een bepaalde werkmethode in de GRZ ertoe leidt dat cliënten sneller weer naar huis kunnen. Je wilt deze werkmethode invoeren op drie afdelingen en daarbij onderzoeken op welke manier dit het beste lukt.

Voor deelname aan deze subsidieoproep bestaan enkele voorwaarden. Heb je ideeën of wil je de details van deze subsidieoproep inzien? Mail dan je naam, emailadres, functie, naam van de organisatie waar je voor werkt en het telefoonnummer waarop je te bereiken bent naar uno@vumc.nl en wij nemen contact met je op.

Meld je idee voor 20 april 2018 aan via uno@vumc.nl. We zien uit naar bijdragen van onze aangesloten organisaties.

 

Volg  ons nu op LinkedIn en Twitter.

‘Hoe zorgen we er voor dat we ons netwerk én de professionals daarbuiten bereiken, betrekken en inspireren met datgeen waar het UNO-VUmc met haar aangesloten zorgorganisaties voor staat? ‘Dat was het uitgangspunt bij de vraag of het zinvol is om ons netwerk ook op LinkedIn en Twitter te presenteren. En ja, meenden wij, dat is het zeker! Om meerdere redenen: social media is een passende manier om de nieuwste onderzoeken en resultaten te delen. Het is een manier om op de hoogte te blijven van alle ontwikkelingen die gaande zijn binnen de aangesloten organisaties in ons netwerk. Het geeft ons inzicht in wat andere netwerken of kenniscentra zo allemaal ondernemen. Het vereenvoudigt het in contact komen, en blijven, met alle professionals van onze aangesloten organisaties. Én het stelt ons in staat de buitenwereld kenbaar te maken aan welke ontwikkelingen wij als netwerk elke dag zo hard werken en welke projecten of onderzoeksresultaten wij klaar hebben liggen om voor hen mee aan de slag te gaan.

Een nieuw type netwerk dus: via de mogelijkheden van LinkedIn en Twitter. Wij nodigen u daarom uit om ons op LinkedIn en/of Twitter te volgen. We delen hier wetenswaardigheden, nieuws, nieuwe onderzoeken, resultaten, enzovoort. Volg ons, deel en praat mee!