Samen bouwen aan de zorgpraktijk

Door Maike Sparrius op 13 augustus 2019

Interview met Cees Hertogh, door Dieuwke de Boer van ZonMw.

Zes academische werkplaatsen ouderenzorg krijgen structurele financiering om onderzoek uit te voeren, samen met de zorgpraktijk en het onderwijs. Het UNO-VUmc is het universitair netwerk ouderenzorg van Amsterdam UMC (locatie VUmc). In dit netwerk werken onderzoekers en zorgprofessionals van 24 aangesloten organisaties aan het verbinden van wetenschappelijke kennis met de dagelijkse zorgpraktijk.

Het UNO-VUmc richt zich op drie thema’s: goede zorg voor mensen met hersenaandoeningen (zoals dementie en andere neurologische of cardiovasculaire aandoeningen), goede zorg voor revalidanten en goede organisatie van zorg. ‘Rond deze drie thema’s hebben we themagroepen opgezet. Hierin zitten afgevaardigden van de bij ons aangesloten zorgorganisaties, die van één van deze thema’s een speerpunt maakten of willen maken’, vertelt prof. dr. Cees Hertogh, hoofd van het UNO-VUmc en hoogleraar ouderengeneeskunde en ethiek van zorg. ‘De themagroepen werken samen aan onderzoeksprojecten, wisselen good practices uit en denken na over kennisvragen die op de werkvloer leven. Ze krijgen daarbij ondersteuning van een wetenschappelijk coördinator van het UNO-VUmc.’

Ontwikkelpraktijk

‘In onze werkplaats maken we onderscheid tussen leden die ‘volgen’ en leden die zich bewust profileren als een ontwikkelpraktijk’, vertelt Cees. ‘Een ontwikkelpraktijk is een cluster van twee of meer zorgorganisaties die met elkaar samenwerken op de onderzoeksthema’s die wij gezamenlijk hebben benoemd. Vanuit de universiteit is een onderzoeker als linking pin verbonden aan de ontwikkelpraktijk. De zorgorganisaties benoemen een science practitioner die promotieonderzoek doet aan de universiteit en die kennis en expertise weer meeneemt naar de zorgpraktijk. Op die manier krijgt de academisering van de zorgpraktijk langzaam maar zeker meer vorm.’

In dialoog

De onderzoeksthema’s van de werkplaats zijn bewust breed geformuleerd, zodat er flexibel kan worden ingespeeld op de ideeën voor onderzoek die vanuit de praktijk ontstaan. ‘Een misvatting over de academische werkplaats is dat kennisvragen spontaan opbloeien op de werkvloer. Ze komen juist vaak pas naar voren in gesprekken die we met elkaar voeren over wat er speelt in de praktijk en welke thema’s belangrijk zijn voor de wetenschap. Ook kunnen kennisvragen voortkomen uit nieuw beleid dat vanuit de overheid wordt opgelegd’, zegt Cees. Een voorbeeld is het Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg, waarin eigen regie van de cliënt centraal staat. ‘Het ondersteunen en versterken van eigen regie van kwetsbare ouderen vraagt om een persoonsgerichte aanpak. Maar hoe doe je dat? Een indicatie voor langdurige zorg betekent namelijk per definitie dat iemand de eigen regie kwijt is, omdat hij of zij continu toezicht en ondersteuning nodig heeft’, legt Cees uit. ‘Door wetenschappelijk onderzoek te doen, willen wij de dagelijkse zorgpraktijk helpen om op een goede manier met dit vraagstuk om te gaan. Andersom willen we dat de wetenschap zich voedt met good practices uit de praktijk.’

Lees hier het volledige artikel.